gastbijdrage Andantinaa

De zomerpauze die ik mezelf had gegund, zit er bijna op en hierin heb ik tenminste één doelstelling verwezenlijkt: ik heb Het lied van de dodo van David Quammen eindelijk gelezen.
Ik had de tweede druk, verschenen in 2002, met 736 bladzijden een dikke pil. Het verhaal zelf telt 638 bladzijden en wordt gevolgd door een voor leken als ik broodnodige woordenlijst die ik dankbaar heb gebruikt, een nawoord van de schrijver, dankbetuiging, gebruikte bronnen, bibliografie en een register.
David Quammen is de schrijver van acht boeken die behoren tot de non-fictie. Naar willekeur noem ik van deze acht Monster of God en The reluctant Mr Darwin. Hij heeft ook een aantal artikelen geschreven en vijf boeken die tot de fictie worden gerekend. Voor zijn werk ontving hij diverse onderscheidingen, waaronder een eredoctoraat van Montana State University. Wie zelf een completer overzicht wil nalezen, verwijs ik naar Wikipedia . Op het omslag van het boek is geen informatie over de auteur te vinden.
Het boek bestaat uit tien delen met elk een eigen titel. Die delen zijn weer onderverdeeld in niet al te lange hoofdstukken. Dat maakt het prettig leesbaar en ook geschikt om mee te nemen (wel in een flinke tas) als je onderweg bent. Ik streef in deze bespreking niet naar volledigheid. Ik geef alleen een ruwe incomplete schets en pik er hier en daar een paar zaken uit die mij raakten.
Het lied van de dodo gaat vooral over eilandbiogeografie. Het begint met het gedeelte (tevens hoofdstuk 1) Zesendertig Perzische kleedjes, waarin al een tipje van de sluier wordt opgelicht van wat er met een groot ecosysteem gebeurt wanneer het versnipperd raakt: het valt als het ware in eilanden uiteen: geïsoleerde plaatsen die door hun te kleine oppervlakte niet voldoende bestaansvoorwaarden te bieden hebben.
Het daaropvolgende deel, De man die eilanden kende, gaat over Alfred Russell Wallace: zijn leven, zijn werk en zijn relatie met en tot Charles Darwin. Met behulp van dit deel kun je Wallace en Darwin goed vergelijken. Hun sterke kanten lagen op verschillende gebieden. Eigenlijk vulden ze elkaar dus heel goed aan en is het misschien jammer dat ze niet nauw hebben samengewerkt. De welgestelde Darwin kon het zich veroorloven zich helemaal op de wetenschap te storten. Wallace was van geringere komaf en niet rijk. Hij moest zelf zorgen dat er geld in het laadje kwam en ik vermoed dat zijn geringere komaf het hem ook moeilijker maakte met invloedrijke mensen in contact te komen en door hen serieus genomen te worden.
Op zijn verre reizen wordt de onervaren jonge Wallace herhaalde malen geconfronteerd met tegenspoed. Bepakt en beladen met wetenschappelijke vondsten, dood en levend, begeeft hij zich in de zomer van 1852 weer naar Engeland. Op reis naar de kust verliest hij al een aantal dieren, waaronder zijn tamme toekan, die verdrinkt wanneer hij op een rivier over boord slaat, maar het wordt nog erger. Het schip waarmee hij de Atlantische oceaan hoopt over te steken, wordt door brand getroffen. Hierdoor raakt hij nog meer vogels, apen en bijna al zijn aantekeningen kwijt. Hij had namelijk nog niet geleerd dat het beter is deze regelmatig met de post naar huis te sturen. Later moet hij dus weer veel uit zijn geheugen opdiepen. De expeditie had zijn gezondheid geen goed gedaan, maar gedreven als hij is, gaat Wallace alweer snel op weg, ditmaal naar de Indonesische archipel.
Wie zelf veldonderzoek wil verrichten op het gebied van de eilandbiogeografie en ecologie moet over een sterk gestel beschikken, geen hoogte- en andere vrees hebben en niet hechten aan een vaste werkplek achter het eigen bureau, want je krijgt te maken met extreme weersomstandigheden, eenzaamheid, ander voedsel en de afwezigheid van comfort. Je moet enorm gedreven zijn, net als Wallace.
Eilandbiogeografie, wat leren we daarover? Dat je oude eilanden hebt en jonge, grote (continenten) en kleine (vulkaantoppen). Leeftijd en omvang komen tot uitdrukking in het ecosysteem. En hoe raakt een nieuw eiland bevolkt cq begroeid?
Een belangrijke factor bij die ecosystemen is de rol die de mens speelt. Duidelijk uit het boek wordt dat de mens het uitsterven van soorten dusdanig bespoedigt dat, om het maar even heel kort door de bocht te zeggen, de evolutie dat niet kan compenseren met de aanmaak van nieuwe soorten. De mens claimt een steeds grotere leefruimte en is bepaald niet bescheiden wat betreft zijn behoeften. Als je dat voor vroeger tijden al zou willen goed praten door gebrek aan kennis, gaat dit voor de huidige tijd zeker niet meer op, maar een gedragsverandering zet helaas niet echt snel door.
Is er nog wel iets te redden? Moeten we wel iets willen redden? Wat gebeurt er als we niets redden? Wat moeten we redden? Soorten? Leefgebieden? Deze vragen komen ook aan de orde, met hun ethische aspecten.
Het laatste deel, Boodschap uit Aru, maakt duidelijk dat de extincties veel sneller verlopen dan de aanwas van nieuwe soorten. De dodo is bijna symbool geworden voor soorten die niet hadden hoeven uitsterven. Maar de dodo was niet de enige. Een andere is bijvoorbeeld de trekduif (daar had ik voor het lezen van dit boek nog nooit van gehoord), waarvan de populatie van miljarden in Noord-Amerika in de negentiende eeuw door de mens is uitgeroeid.
We krijgen ook raad hoe we onze “mondiale voetafdruk” (deze uitdrukking gebruikt David Quammen niet) kunnen beperken, want dat is, aldus Quammen, hard nodig. Maar hij roept ons op niet de hoop te verliezen en vooral te blijven doorgaan met te redden wat er te redden valt.
Toen ik Het lied van de dodo uit had, bleef het echt nog een aantal dagen door mijn hoofd malen. Het heeft me zelfs een aantal uren uit de slaap gehouden, maar dat had ik er graag voor over - ik had wat dat laatste betreft geen keus, want ik wist dat van tevoren niet.
Het boek verschaft enorm veel informatie in goed gestructureerde vorm. Het leest als een trein en is ook voor leken op het gebied van de biologie goed te volgen, als je de woordenlijst maar gebruikt. Vanuit mijn invalshoek van de cultuurwetenschappen is mij het meest bijgebleven welke invloed de cultuur op de natuur kan hebben door onwetendheid, hebzucht, onnadenkendheid, de idee dat natuur iets is wat je naar je hand kunt zetten. Omdat dit al zo lang goed lijkt te gaan, begint de mens behoorlijk aan ecologische naïviteit - een term waarvan ik de betekenis ook in Het lied van de dodo geleerd heb - te lijden. Ook over het duo Wallace-Darwin heb ik veel geleerd, met name over Wallace die vaak in de schaduw van Darwin blijft. Ik vond het boek net zo spannend als een goed geschreven roman en raadt het iedereen aan die meer wil weten over ecologie, de invloed van de mens op de natuur, evolutie, Wallace, Darwin, de controverse Simberloff-Diamond en nog veel meer.
David Quammen, Het lied van de Dodo (2e dr.; Amsterdam 2002). Vertaling van: The Song of the dodo. Island Biogeography in an Age of Extinctions.
tags: gastbijdrage