Woensdag, Juli 16, 2008

Volgens Popper heeft een wetenschappelijke theorie geen fundament

Het woord 'fundament' zat me niet lekker. Er klopte iets niet met het hele idee 'fundament van een wetenschappelijke theorie'. Maar ik kon er geen vinger achter krijgen wat er nu precies mis was. Totdat me te binnen schoot dat Karl Popper iets over fundamenten, heipalen en moeras gezegd had. En inderdaad. Het was redelijk snel te vinden via google. Het bleek in het hoofdwerk van Popper The Logic of Scientific Discovery te staan:
"Science does not rest upon solid bedrock. The bold structure of its theories rises, as it were, above a swamp. It is like a building erected on piles. The piles are driven down from above into the swamp, but not down to any natural or ‘given’ base; and if we stop driving the piles deeper, it is not because we have reached firm ground. We simply stop, when we are satisfied that the piles are firm enough to carry the structure, at least for the time being."

The Logic of Scientific DiscoveryDeze grandiose passage staat aan het slot van hoofdstuk 5 (in mijn exemplaat op pag 111). Omdat het zo'n belangrijke passage is, geef ik ook de vertaling:
"Wetenschap is niet gebaseerd op vaste grond. De indrukwekkende structuur van haar theorieën rijst als het ware op uit een moeras. Het is als een gebouw dat op palen staat. De palen zijn van bovenaf in het moeras gedreven, maar niet naar beneden naar een natuurlijke of vaste basis; en als we stoppen met de palen steeds dieper er in te drijven, dan is dat niet omdat we vaste grond hebben bereikt. We stoppen gewoon wanneer we menen dat de palen stevig genoeg staan om het gebouw te dragen. Voor zo lang het duurt."
Zelf heb ik het woord 'fundament' in vorige blogs een aantal keren gebruikt. Dat is ook fout. Een betere uitdrukking is: een theorie over de oorsprong van het leven (OOL) zou het sluitstuk van de toekomstige evolutietheorie kunnen zijn. Of: het maakt de toekomstige evolutietheorie completer. Maar een OOL zal nooit een fundament worden van de evolutietheorie. Wetenschappelijke theoriën hebben überhaupt geen fundament. Dus is het ook niet zinnig om over 'het ontbrekende fundament' te praten. Wetenschappelijke theoriën hebben ondersteunende feiten. Ze zijn meer of minder grondig getest.

Ik vermoed dat prof. Zuilhof het boek The Logic of Scientific Discovery in zijn boekenkast heeft staan. Want hij heeft filosofie gestudeerd. Hij is filosoof.



The Logic of Scientific Discovery is niet fulltext online beschikbaar, maar wel doorzoekbaar in google books. Mijn exemplaar van The Logic of Scientific Discovery is de 7e druk april 1974 van Hutchinson. Zie ook mijn vorige blog Praten over 'ontbrekend fundament' is misleidend (maandag 14 juli).

Posted by Gert Korthof at 11:32:00 | Permanent Link | Comments (20) |

Dinsdag, May 20, 2008

De voorlopers van Intelligent Design in de klassieke oudheid

Creationism and Its Critics in Antiquity
Ik heb het boek Creationism and Its Critics in Antiquity van de filosoof David Sedley (1) in mijn vakantie gelezen en ik moet zeggen dat het mijn verwachtingen overtrof. Ondanks het feit dat ik hier en daar wat pagina's heb overgeslagen omdat ze me minder interesseerden, ben ik meer dan voldoende interessante en verrassende zaken tegengekomen. Ik lees en schrijf al jaren over de evolutietheorie en haar critici (zie ook mijn website), maar toch was het lezen van dit boek een openbaring. Kritiek op evolutie, Intelligent Design, fine-tuning, de oorsprong van het leven en het heelal: ik dacht dat dit toch allemaal vrij moderne onderwerpen waren. Niets is minder waar: over al deze 'moderne' onderwerpen werd al door Socrates, Plato, Aristoteles, Zeno, en Empedocles gedebatteerd! En niet alleen waren er toen vertegenwoordigers van het 'design argument', zoals je kunt verwachten, maar ook van atheïsme en naturalisme ('the atomists' genaamd). Je komt uitspraken als:
"To show how accident is fully capable of accounting for even te most purposive seeming features of the world"
Dat een expert als Sedley het woord 'atheïsme' van toepassing acht op filosofen die een paar honderd jaar voor Christus leefden is toch best verbazingwekkend als je bedenkt dat Richard Dawkins gezegd heeft dat men pas ná Darwin een 'intellectually fulfilled atheist' kan zijn. Je wordt dan nieuwsgierig hoe die antieke atheïsten hun wereldbeeld rond kregen. Hoe deden ze dat? Voor mij was er veel nieuws te vinden in dit zeer leesbare boek. Ik moet aannemen dat Sedley's boek ook nieuws voor filosofen zal bevatten.

Sedley overdrijft waarschijnlijk niet echt wanneer hij de term Creationism in de titel van zijn boek gebruikt en wanneer hij het boek Timaeus van Plato 'the ultimate creationist manisfesto' noemt. En over Aristoteles schrijft hij: "Aristotle was no creationist". Maar het is toch wel even wennen als je paragraaftitels ziet als 'Scientific Creationism' (p.25) of 'The origin of species' (p.127). Het effect van het boek is dat ik met geheel andere ogen naar filosofen als Plato (de creationist) en Aristoteles (de naturalist) ben gaan kijken. Eigenlijk naar de gehele Griekse filosofie. Ondanks een tijdsverschil van 2300 jaar, ondanks Darwin, DNA, en de Big Bang, acht Sedley de begrippen toeval, ontwerp, creationisme, atheisme van toepassing op de antieke filosofie. Dat maakt de Griekse filosofie onverwacht actueel. Dit boek gaf mij vaak het gevoel dat al onze actuele discussies over Darwin versus Intelligent Ontwerp, theisme versus atheisme, etc. slechts voetnoten zijn bij de gedachtewereld van de Griekse filosofen. De grote 'moderne' dichotomie toeval of ontwerp is helemaal niet door Intelligent Design creationisten uitgevonden. Extra leuk is dat hun argumentaties enige eeuwen vóór het Christendom werden ontwikkeld. Het zijn dus géén Christelijke argumenten, maar eerder zuiver filosofische-theologische argumentaties. Ze zijn aantrekkelijk doordat ze oorspronkelijk en authentiek zijn. Die kwaliteiten vind je tegenwoordig niet meer.

Ik had niet verwacht dat er gedetailleerde, amusante, en ontwapenende argumenten voor de stelling dat de cosmos ontworpen is voor de mens. Tegenwoordig heet dat 'fine-tuning'. FT is eigenlijk een speciale vorm van intelligent ontwerp. Behalve biologische zaken, zijn ook geologische en cosmologische zaken als aarde, maan, zon, het hele universum ontworpen voor het welzijn van de mens. Het lichaam van de mens is ontworpen voor zijn geluk. Een tot de verbeelding sprekend biologisch argument dat ik in het boek tegenkwam en dat onovertroffen is door zijn eerlijke naïviteit is de reden waarom de anus van de mens ver van het hoofd is geplaatst (p.215). Als de anus dicht bij het hoofd geplaatst zou zijn, dan zouden onze zintuigen geconfronteerd worden met de vreselijkste stank en de walgelijke aanblik van onze eigen uitwerpselen. Daarom is de anus onderaan het lichaam geplaatst. Dit bewijst intelligent ontwerp! Met een overduidelijke aandacht voor het welzijn en geluk van de mens! Wat een wijsheid! Ik weet niet of men toen de giraffe kende, maar die lijkt mij wel de kampioen afstand hoofd-kont. Mijn conclusie: de Kosmische Ontwerper hield méér van de giraffe dan de mens. Vraag: waarom zijn we zo geschapen dat we vinden dat poep stinkt? Natuurlijk zijn de meeste dieren volgens het holle buis principe gebouwd. Het eten gaat er aan de voorkant in en aan de achterkant weer uit. Zie: de worm als prototype. Een soortgelijk argument dat ik aantrof in het boek is de wijsheid die spreekt uit het feit dat onze ogen aan dezelfde kant van het hoofd zitten als onze looprichting! (Plato) Wat een voortreffelijk ontwerp! Ik moet er niet aan denken dat mijn ogen aan de achterkant van je hoofd zouden zitten (2). En verder: de staart van de mannetjes pauw is er voor de mens om van te genieten (p.235); waarom ons hoofdhaar en niet onze wimpers en wenkbrauwen groeien (p.241). Deze voorbeelden prikkelen de verbeelding. Wat een wijsheid spreekt er uit het feit dat de mens eetbare en voedzame planten en dieren aantreft op de aarde: sla, andijvie, koeien, varkens en kippen. Anders zouden we omkomen van de honger! Stel je voor dat er alleen maar giftige paddestoelen, schorpioenen, dennenbomen, kakkerlakken, kevers en cactussen op de aarde voorkwamen (3) en uitsluitend zeewater om te drinken. Zelfs in die tijd kwam er een reactie tegen dit soort design argumenten. Aristoteles wees op zelfverdedigingsmiddelen van dieren (stekels, hoorns) en concludeeerde dat iedere eigenschap of orgaan van een dier bestaat voor het dier zelf. Een zeer belangrijke stap. Achteraf gezien onmisbaar voor de Darwinistische visie op de natuur.

Al dit soort argumentaties komt op ons over als bizar, kinderachtig, romantisch en achterhaald, maar in wezen zijn alle fine-tuning argumenten, inclusief de moderne, hopeloos antropocentrisch of zelfs egocentrisch. Tegenwoordig zijn ze wat aangepast aan de tijd en nieuwe ontdekkingen. Een voorbeeld: de aarde is uniek ontworpen voor de mens, want de aarde heeft precies de juiste afstand tot de zon (niet te dicht bij zodat hij te heet zou worden, niet te ver weg zodat hij te koud voor leven zou worden), groot genoeg om voldoende zwaartekracht te hebben (zodat we kunnen lopen) en een atmosfeer vast te houden (om te kunnen ademhalen, etc), voorzien van voldoende water en allerlei handige kringlopen, een 'handige' 24-uurs rotatie en rotatie om de zon (zodat we daar onze tijdrekening en kalender op kunnen baseren), etc, etc. (4). Modern, maar het blijft schaamteloos antropocentrisme. En vooral onwetenschappelijk. Selectie van feiten doet wonderen. Dat mensen dit hardnekkig blijven proberen verklaar ik door een diep verlangen naar een paradijselijke wereld waarin inderdaad alles is ingericht ten behoeve van de mens. Wie zou er niet in een paradijs willen leven? Als men in zo'n romantisch wereldbeeld gelooft is men waarschijnlijk snel gelukkig. Ook de toenmalige anti-FT argumenten kunnen engiszins vermakelijk zijn: als de aarde er voor de mens is, waarom is dan niet de hele aarde bewoonbaar? Maar het feit dát er kritiek was is belangrijk genoeg om hier te vermelden.

Behalve deze romantiek, kan men ook geniale inzichten in de antieke denkers vinden, die men alleen ziet als men van de moderne evolutiebiologie op de hoogte is. De genialiteit van sommige argumentaties ontgaat de filosoof Sedley. Zo argumenteert Lucretius dat het onjuist is om organen als artefacten op te vatten die ontworpen zijn voor hun huidige functie. "We must conclude that the limbs and organs came into being before their use was discovered or even existed" (p.154). Dit is een geniale, profetische uitspraak. Precies dit is de moderne hypothese over het ontstaan van poten uit vinnen van vissen ('pre-adaptatie'). De poot-achtige uitsteeksels zouden in het water ontstaan zijn en pas later verder geëvolueerd op het land voor de loop functie. Ook zouden de vleugels van vogels in eerste instantie niet gediend hebben om te vliegen, maar de veren zouden voor warmte-isolatie gediend hebben. Idem: gehoorbeentjes, longen, etc.

Tenslotte nog iets wat je zeker niet mag missen in Creationism and Its Critics in Antiquity en dat is een voorloper van survival of the fittest (p.150-153). Het is afkomstig van de Epicurean school en is overgeleverd door Lucretius. De aarde was in de begintijd veel vruchtbaarder en produceerde organismen die uit random onderdelen bestonden en niet konden overleven en zich reproduceren. Alleen degenen die de juiste combinatie van organen hadden konden overleven. Het komt dus neer op random variatie en natuurlijke selectie, maar zonder evolutionair (common descent) te zijn. De theorie zou teruggaan op Empedocles (5). Deze theorie is de enige niet-creationistische theorie vóór Darwin om het ontstaan van soorten en adaptatie te verklaren. William Paley argumenteerde tegen het Epicurean argument.

Er komen nog veel meer inzichten en argumenten voor in het boek. Teveel om op te noemen in deze blogpost. Je kunt er een proefschrift aan wijden. Een heerlijk, inspirerend en nuttig boek als je geinteresseerd bent in de voorlopers van Darwin en ID.

Noten:
  1. In een eerdere blog maakte ik reeds melding van dit boek. Het boek werd op 13 March 2008 gereviewed in Nature (gratis toegangelijk).
  2. George C. Williams merkte al op dat het handiger was geweest als we behalve twee ogen aan de voorkant, ook een oog aan de achterkant hadden, zodat we roofdieren en ander gevaar zouden kunnen zien aankomen (The Pony Fish's Glow And Other Clues To Plan And Purpose In Nature). Dat zou makkelijk kunnen, er moet alleen op die plek wat haar weggelaten worden. Geen probleem voor een Intelligente Ontwerper.
  3. Verder schrijft Dick Swaab (nrc 17 mei) over onreine dieren in de Bijbel. Hoe kunnen er nu onreine dieren bestaan die je niet mag eten, als alles ten behoeve van de mens geschapen is? Waarom is een menstruerende vrouw onrein als het menselijk lichaam perfect geschapen is? Verder staat het eeuwenoude 'probleem van het kwaad' (pijn, ziekte, dood, natuurrampen), dat een hele theologische traditie heeft van wegmoffelen en goedpraten, in schril contrast met fine-tuning.
  4. Een voorbeeld is: The Privileged Planet van Gonzalez en Richards. Overigens is onze tijdrekening en kalender hopeloos complex omdat het ontwerp van ons zonnestelsel nodeloos complex is. De belangrijkste oorzaak is volgens mij dat de rotatietijd van de aarde om de zon niet een exact veelvoud is van de aardas rotatietijd. Als de moderne fine-tuners eerlijk zouden zijn, zouden ze ook oude maar mislukte FT-argumenten behandelen. Het zou dan kunnen blijken dat FT-argumenten in de loop der tijd een terugtrekkende beweging vertonen (naar analogie van Herman Philipse's claim over religieuze claims in het algemeen).
  5. Sedley verwijst nog naar publicatie's van G. Campbell (2000,2003) waarin gekeken wordt naar de precieze verschillen tussen Darwinistische evolutie en de antieke versie van survival of the fittest. Dat probeer ik zeker nog te pakken te krijgen. Ik zie een grote gelijkenis met de bizarre theorie 'Independent Birth of Organisms' van de computerwetenschapper Periannan Senapathy (zie mijn review).

Literatuur:
  1. Michael Behe (2007) 'The Edge of Evolution' heeft een bizarre wending aan het fine-tuning argument gegeven door te stellen dat malaria intelligent ontworpen is (in gewoon Nederlands: door God). Wat kan fine-tuning ten behoeve van de mens dan nog betekenen? Zie mijn review.
  2. Ernst Mayr (1982) The Growth of Biological Thought heeft een paragraaf Antiquity, waarin hij heel kort Epicurus en Lucretius vermeld (p.90). Epicurus had een weldoordacht materialistische verklaring van de levenloze en levende natuur en verklaarde alles door natuurlijke oorzaken. Lucretius gaf een goed beargumenteerd argument tegen het idee van 'ontwerp'. Leeuwen en eiken ontstonden door puur random interacties tussen de elementen water en vuur. De Stoicijnen geloofden in een geschapen wereld ten behoeve van de mens. Dat is zo ongeveer alles wat hij te zeggen heeft. De essentie is er, maar je leest er makkelijk overheen. Mayr lijkt zich niet te verbazen over een 'atheistische' verklaring van de wereld in die tijd. In die zin zijn ze immers ook voorlopers van Darwin. Hoe deden ze dat? En die oplossingen zijn van belang om de tegenwoordige discussie te begrijpen. Uberhaupt belangrijk om de presaties van Darwin te begrijpen. Sedley legt veel gedetailleerder uit hoe ze dat deden (infinity). [26 mei 2008]
  3. 'De voorlopers van Intelligent Design in de 17e en 18e eeuw' blogde ik op 4 dec 2007.
  4. In Amazon heb ik een review toegevoegd (22 mei) bij het boek van P. Senapathy (1994) die claimde dat hij als eerste een niet-creationistische en niet-evolutionaire verklaring voor de oorsprong van soorten had bedacht. Sedley heeft ons duidelijk gemaakt dat de Atomisten de eersten waren. Dit heb ik ook toegevoegd aan het review van Senapathy´s boek op mijn site.
  5. Ik zie dat mijn blog van 18 april over Johan Braeckman eigenlijk al de essentie van Sedley bevat! Bijvoorbeeld: "100%-toeval-theorie (dat idee was al door Griekse filosofen ontwikkeld)". Dat moeten de Atomisten zijn geweest. Het lijkt alsof Braeckman Sedley al gelezen had! [28 mei 08]
  6. Ik heb vandaag een Engelstalig review van Sedley's boek op mijn website gepubliceerd met de nadruk op de Atomisten als voorlopers van Darwin. [ 29 mei 2008 ]
Posted by Gert Korthof at 09:33:33 | Permanent Link | Comments (8) |

Woensdag, Januari 09, 2008

Ethiek en evolutie

Vanaf het moment dat Charles Darwin in 1859 zijn boek On the Origin of Species publiceerde, is er gespeculeerd over de vraag of de evolutietheorie een nieuw licht kan werpen op de menselijke moraal. Terwijl filosofen zoals Spencer of Nietzsche normatieve conclusies trokken uit evolutionaire visies op de mens, die niet zonder invloed bleven in de politiek, verwierp G. E. Moore dergelijke gevolgtrekkingen in zijn Principia Ethica (1903). Ook in de twintigste eeuw is deze discussie telkens weer opgelaaid, bijvoorbeeld naar aanleiding van de sociobiologie van Edward Wilson. Is het neo-Darwinisme een betere basis voor de ethiek dan het Christendom of de Islam?

Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Hij is jurist en begenadigd spreker. Zijn onderzoeksgebied beslaat met name de kennistheorie en de hedendaagse wijsbegeerte. Een trimester per jaar geeft hij college te Oxford.

In acht colleges van 12 feb tot 8 april zal hij verschillende aspecten van het thema ethiek en evolutie aan de orde stellen. Aan bod komen onder andere cultuurgeschiedenis, speltheorie, antropologie, evolutiebiologie en wijsbegeerte. Daarnaast bespreekt Philipse de belangrijkste denkers op dit gebied.

Zie: programma Ethiek en Evolutie (Studium Generale Utrecht).


Posted by Gert Korthof at 08:32:54 | Permanent Link | Comments (0) |

Donderdag, November 22, 2007

Rationaliteit en Evolutie (3)

Gastbijdrage Jan Riemersma

optical illusion


5. Universele Waarheid

Toch beschikken we nu over goede redenen om wantrouwend tegenover onze eigen rationaliteit te staan:
(1) als de analyse die ik hierboven gaf waar is, dan is onze rationaliteit niets anders dan een procedé dat 'werkt': het is een product van de evolutie. Onze rationaliteit is beslist niet ontworpen om allerlei subtiele en interessante semantische en metafysische eigenschappen van de werkelijkheid te ontdekken en begrijpen;
(2) de evolutie heeft gebruik gemaakt van eigenschappen die in fysische zin totaal onbelangrijk zijn: dat een object kan worden onderscheiden van een ander object is voor de natuurkundige nauwelijks significant. En dat een steen niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn is fysisch onbelangrijk. De evolutie heeft toevallige eigenschappen van middelgrote objecten gebruikt om het brein te ordenen;
(3) logische eigenschappen hebben geen invloed op de fysische werkelijkheid: er bestaan geen logische krachten en er bestaan geen logische deeltjes. Hieruit volgt dat de logische regels de fysische werkelijkheid niet hebben kunnen vormen. Hoe zouden deze regels dat hebben moeten doen als het geen fysische natuurkrachten zijn? als ze geen invloed kunnen uitoefenen op de stoffelijke wereld? En dit betekent dat de fysische werkelijkheid geen logische bouw heeft en afwijkt van onze logische weergave er van;
(4) we kunnen de logische eigenschappen laten verdwijnen (!): als we de kwantificeerbare eigenschappen van objecten laten verdwijnen, als we een kunstmatige wereld construeren die 'fuzzy' is, dan blijft er niet veel over van onze rationaliteit. Als we ons in een wereld begeven waarin alle objecten voortdurend van vorm veranderen en samenvloeien, dan hebben we niets aan onze logische regels (bv. de steen die ik opraap verandert plotseling en zonder reden in een woeste tijger). En hieruit volgt dat de logische regels beslist niet altijd en overal bruikbaar zijn. In een fuzzy wereld kunnen wij onze logische gestructureerde rationaliteit niet gebruiken. Het lijkt dus niet waarschijnlijk dat de werkelijkheid altijd en overal een logische bouw heeft.

optical illusion


Conclusie

Uit deze vier argumenten mogen we de conclusie trekken dat onze rationaliteit niet ontworpen is om de werkelijkheid volledig te beschrijven. Dit hadden we overigens al rechtstreeks, zonder omhaal, uit de evolutietheorie mogen afleiden. Alle organismen (dus ook de mens) hebben een verstand dat slechts bruikbaar is in een bepaalde niche. Ons verstand is slechts geldig in een bepaalde cognitieve niche: alleen dat deel van de werkelijkheid waarin ons coherente en logische verstand bruikbaar is, is bewoonbaar en begrijpelijk voor ons- alleen binnen onze cognitieve niche kunnen wij handelen (Cherniak, 1986; McGinn, 2004). In andere niches zal ons verstand niet 'werken'. Je zou de werkelijkheid, in Kantiaanse zin, kunnen verdelen in een 'menselijke cognitieve niche' en een 'noumenale werkelijkheid'. Aangezien de evolutietheorie een betrouwbare theorie is en aangezien wij de hypothetische universaliteit van onze rationaliteit (dagelijkse logica) met geen enkel deugdelijk argument kunnen onderbouwen, mogen we vaststellen dat wij de werkelijkheid nooit volledig en systematisch zullen kunnen beschrijven.
De religieuze complicaties van deze veronderstelling zijn evident.

Literatuurlijst.

Dit is het derde deel in een serie van 3 artikelen. Deel 1 en 2 verschenen op 20 en 21 nov. Jan Riemersma is filosoof en docent maatschappijleer.

Posted by Gert Korthof at 15:00:00 | Permanent Link | Comments (94) |

Woensdag, November 21, 2007

Rationaliteit en Evolutie (2)

Gastbijdrage Jan Riemersma

viskar, 2002

3. Dagelijkse en Formele Rationaliteit

In de literatuur wordt er onderscheid gemaakt tussen twee vormen van rationaliteit (1): dagelijkse en formele rationaliteit. De dagelijkse rationaliteit is de rationaliteit waar ik hierboven over geschreven heb, en die wij gebruiken om onze biologische doelen te vervullen; formele rationaliteit is de logica die men bestudeert in de faculteit der wiskunde. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat er een verband is tussen de dagelijkse en de formele rationaliteit. De formele rationaliteit is waarschijnlijk afgeleid van de dagelijkse rationaliteit. Formele rationaliteit heeft betrekking op ideale objecten. Ideale objecten zijn mentale objecten die per definitie kwantificeerbaar zijn: de vorm, waarde of hoeveelheid van dergelijke objecten zijn onveranderlijk en essentieel. Een getal is een duidelijk voorbeeld van een ideaal kwantificeerbaar object: hoe vaak men een getal ook deelt, er is altijd sprake van een exacte en essentiële waarde. Een driehoek is altijd exact te onderscheiden van andere objecten door de vorm. Hetzelfde geldt voor alle mathematische objecten. Hoogstwaarschijnlijk heeft het brein de capaciteit om abstracte objecten te construeren slechts en slechts alleen op basis van hun kwantificeerbare eigenschappen (omtrek, vorm) (Feigensen, 2007). De objecten in het dagelijkse leven daarentegen zijn niet altijd even duidelijk te onderscheiden van elkaar en de omgeving: het visuele systeem is voortdurend bezig om de gewone zintuiglijke indrukken te interpreteren en te duiden (Ramachandran 2003, 2007; Churchland, 2007).


perpetuum mobile, 2001

4. Verklaringen

Als het brein inderdaad een logische structuur of bouw heeft, dan kan men in ieder geval drie vraagstukken verklaren. Allereerst kan men verklaren waarom wij niet in staat zijn om helder na te denken over de 'wet van non-contradictie' (Putnam, 1983):
'(the laws of logic) are presupposed by so much of the activity of argument itself that it is no wonder that we cannot envisage their being overthrown (...) by rational argument'.
Dit is Putnam's 'centrality' argument. Wie nadenkt over de 'wet van non-contradictie' lijkt in cirkelredeneringen te blijven steken. Maar dit spreekt voor zich als men zich realiseert dat de logica deel uitmaakt van de architectuur van het brein. Men heeft het logisch geconstrueerde brein immers nodig om na te denken over het logisch geconstrueerde brein (!). De 'dagelijkse' logische regels maken in letterlijke zin deel uit van het mechanisme waarmee wij denken. Ten tweede verklaart dit waarom wij zo'n moeite hebben met het verwerken van 'onduidelijke (fuzzy)' data. De logische bouw van de hersenen is ontstaan door objecten duidelijk van elkaar te onderscheiden- door de kwantificeerbare eigenschappen van objecten te benadrukken. In een ideale wereld, een mathematische wereld waarin alle objecten wel onderscheiden en duidelijk telbaar zijn, kan men geen contradictie construeren. Wie de voorbeelden bestudeert die Priest aandraagt om te bewijzen dat het wél mogelijk is om echte contradicties te construeren, die ziet dat al deze voorbeelden berusten op onduidelijkheden, spitsvondigheden en het laten vervloeien van de werkelijkheid (Priest, 2006). Objecten die samenvloeien en onduidelijk zijn, verliezen hun 'telbaarheid'. En objecten die niet telbaar zijn, verliezen per definitie de logische eigenschappen die zo kenmerkend zijn voor telbare objecten. Ten derde zou dit kunnen verklaren waarom wij denken dat de logische regels altijd waar zijn. Omdat onze hersenen een logische bouw hebben, ligt het voor de hand dat wij menen deze logische bouw in de wereld terug te zien. Wij speuren in de wereld naar duidelijke, middelgrote objecten die telbaar zijn (Churchland, 2007). Het is voor ons belangrijk dat wij zo snel mogelijk weten wat we zien en hoe we ons moeten gedragen. Dat de werkelijkheid wellicht helemaal niet zo telbaar en eenvoudig is, is voor ons gedrag van geen belang. Wij hebben geleerd om slechts rekening te houden met middelgrote kwantificeerbare objecten (hele tijgers zijn gevaarlijk, een tijger van 34% is niet gevaarlijk).


Noten:
(1) Tversky & Kahneman 1993; Cherniak 1988; Chater et al. 2003; Chater & Oaksford 2000; Gabbay 2001; Evans and Over 1996; Harman, 1976, 1995). Deze verschillende vormen van rationaliteit luisteren naar verschillende namen: 'human reasoning' vs. 'classical reasoning' (Chater et al., 2003), 'minimal rationality' vs. 'formal logic' (Cherniak, 1988), 'personal' vs. 'normative rationality' (Evans, 2002), 'everyday vs. formal rationality' (Chater & Oaksford, 2003), 'theoretical vs. practical rationality' (Harman, 1976, 1995) .

Literatuurlijst.

Dit is het tweede in een serie van 3 artikelen. Deel 1 verscheen 20 nov, deel 3 verschijnt 22 nov. Jan Riemersma is filosoof en docent maatschappijleer.

Beelden: Annemarie Petri, beeldend kunstenaar. Ik heb deze beelden gekozen omdat ze zo treffend de onlogische, incoherente wereld uitbeelden en bovendien geïnspireerd zijn door de biologische wereld (GK).

Posted by Gert Korthof at 13:43:00 | Permanent Link | Comments (3) |

Dinsdag, November 20, 2007

Rationaliteit en Evolutie (1)

Gastbijdrage Jan Riemersma



1. Rationaliteit

Wij zijn een product van de evolutie: daarom ligt het voor de hand dat ook onze rationaliteit een product is van de evolutie (Sterelny, 2003; Cosmides & Tooby, 1987; Buller, 2006; Dennet, 1995). De logische wetten vormen het hart van onze rationaliteit. De logische wetten die de basis vormen van het rationele denken moeten daarom niet beschouwd worden als formele, abstracte wetten, maar als praktische regels die onmisbaar zijn bij het vervullen van biologische doelen. Dat logisch denken verband houdt met het feit dat wij een lichaam hebben en dat wij ons adequaat moeten kunnen gedragen in de wereld, is beslist geen nieuwe gedachte: ze is reeds uitgewerkt door de Amerikaanse pragmatisten John Dewey en William James (Johnson, 2007).
Als onze bedoelingen, wensen en gedachten géén logische structuur hebben, dan is het moeilijk te begrijpen hoe wij een ingewikkelde handeling zoals het werpen van een steen naar een prooidier, in de juiste volgorde kunnen uitvoeren. Een worp moet tot in de details gepland worden (Calvin, 2004). Bovendien is het van levensbelang dat het brein alleen maar coherente instructies kan afleiden uit de beschikbare kennisbank(en). Immers, als er gevaar dreigt, kan verkeerde instructie of onduidelijke informatie, de aanleiding zijn van verkeerd (fataal) handelen. Het is belangrijk dat het brein er van doordrongen is dat het lichaam, zeker als er gevaar dreigt, nooit meer dan één handeling tegelijkertijd kan uitvoeren. Wij kunnen niet naar links én rechts vluchten, ook al constateert het brein dat beide vluchtwegen in aanmerking komen. Ook kunnen wij slechts één doel tegelijk vervullen. Een aap die niet beseft dat het de zware mango moet laten vallen teneinde snel te kunnen vluchten, brengt zichzelf in gevaar: het dier probeert twee doelen te vervullen, het wil (1) het voedsel behouden en het wil (2) vluchten. Hoe desastreus een incoherente set instructies kan zijn, demonstreerden de Duitse bewakers in de tweede wereldoorlog: men griste de pet van het hoofd van een gevangene en wierp deze op het gras. Nu was de gevangene ten dode opgeschreven, want het was verboden blootshoofds te gaan én het was verboden om op het gras te lopen. Een uitzichtloze situatie.

Beslissingen over ons gedrag zijn afhankelijk van de kennis waarover we beschikken: "Evidence from behavioral studies suggests that planning is influenced by a large array of visual and cognitive information, whereas control is influenced solely by the spatial characteristics of the target, including such things as its size, shape, orientation, and so forth." (Glover, 2004). Om verkeerde beslissingen te vermijden hebben onze kennisbanken en ons wereldbeeld daarom een logische en coherente structuur (Thagard, 2000). Hoe minder samenhangend daarentegen onze kennis en ons wereldbeeld zou zijn, hoe groter de kans op verkeerde beslissingen en handelingen.

Onze hersenen zijn zeer ingewikkeld: ze vervullen honderden functies. Al deze functies moeten op elkaar worden afgestemd. Het nemen van een beslissing is dan ook een ingewikkelde gebeurtenis, waarbij de hersenen voortdurend in de weer zijn met het tegen elkaar afwegen van verschillende zaken. Ook hierbij is een logische structuur wenselijk en zelfs noodzakelijk. De hersenen moeten alle verschillende processen in de juiste volgorde afhandelen.
Evolutie is een systematisch proces dat wezens aanpast -zo lang het duurt- aan hun omgeving. De ijsbeer heeft een witte, dikke vacht en mooie, brede 'sneeuwschoenen'. Ook het brein van de mens is een systematische aanpassing aan zijn omgeving: een coherent brein is beter in staat om (biologisch) adequaat gedrag te produceren.



2. Evolutionaire Oplossingen


De evolutie zoekt altijd naar oplossingen die 'werken' (en dit is de manier waarop de evolutie haar oplossingen ontdekt). Hoe heeft de evolutie de regels van de logica gevonden?
Wij leven in een wereld van kwantificeerbare objecten: stenen, bomen, bergen, meren, enz. Ook ons eigen lichaam is een middelgroot en kwantificeerbaar object. Kwantificeerbare objecten verhouden zich op een bepaalde manier tot elkaar: stenen, bergen, bomen, huizen, enz., kunnen niet op meerdere plaatsen tegelijk zijn, en evenmin kunnen meerdere stenen één en dezelfde plaats innemen. Dit zijn logische eigenschappen (!). Deze eigenschappen worden beschreven door de (formele) logische regels: een steen kan niet tegelijkertijd geen steen zijn, en een steen kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, enz.

Mijn veronderstelling is dat deze eenvoudige regels, die fysisch nauwelijks van belang zijn (de natuurwetten zijn daarentegen wel van belang), in de loop van de evolutie door ons brein gebruikt zijn om onze denkbeelden en dergelijke systematisch te ordenen. Door eenvoudigweg denkbeelden en doelen en handelingen te beschouwen als kwantificeerbare objecten, kan het brein de regels die voor alle kwantificeerbare objecten gelden gebruiken om zichzelf te ordenen. Op deze wijze kan het brein het lichaam behoeden voor fatale fouten zoals het tegelijkertijd vervullen van meerdere doelen, het niet in de juiste volgorde uitvoeren van ingewikkelde handelingen en het aanleggen van incoherente kennisbanken of het creëren van een incoherent wereldbeeld. Deze regels hebben direct hun weerslag op het gedrag: niet logisch geordend gedrag is nadeliger dan gedrag dat wel logisch geordend is. En dit verklaart hoe de evolutie heeft kunnen 'zien' dat logische regels 'werken'.

Het brein moet dus (1) concepten en handelingen en doelen duidelijk van elkaar onderscheiden (intentionele objecten moeten kwantificeerbaar zijn) en (2) alle mentale objecten behandelen als gewone kwantificeerbare objecten. Dat ons brein mentale objecten is gaan zien en behandelen als kwantificeerbare objecten, vindt zijn oorsprong in de werking van onze visuele waarneming. Ons visuele systeem is ontvankelijk voor o.a. de kwantificeerbare eigenschappen van voorwerpen, zoals omtrek en vorm (Glover, 2004). Dit zijn de eigenschappen die een object onderscheiden van andere objecten. Omtrek en vorm maken objecten kwantificeerbaar. Als men denkbeelden eenmaal beschouwt als objecten die duidelijk van elkaar onderscheiden zijn, kan het brein deze telbare objecten vervolgens manipuleren volgens de logische regels. Er bestaat bovendien een duidelijk verband tussen de visuele waarneming en rationaliteit: het blijkt in de praktijk moeilijk om aan te geven waar 'waarnemen' overgaat in 'denken': "(...) the border between perceptual and cognitive processes may be hard (...) to establish" (Tversky, 2004). Ook het feit dat nadenken over de wereld bestaat uit het bewerken van mentale modellen, sluit hier bij aan (Johnson-Laird, 2004). En wellicht beschikken mensen over een aangeboren mechanisme voor het bepalen en/of creëren van eenheden (tellen): zo lijken kinderen op universele wijze tijd, ruimte en hoeveelheid te kwantificeren (Feigensen, 2007). Hieruit mogen we concluderen dat logisch denken samenhangt met of zelfs voortkomt uit het waarnemen en het onderscheiden van kwantificeerbare middelgrote objecten. Tellen en onderscheid maken zit ons in het bloed.

Zodra twee objecten duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden, weten we ook hoe we ze coherent met elkaar kunnen combineren. Objecten die de dezelfde 'plaats' innemen (lees: op hetzelfde tijdstip werkzaam zijn of die eenzelfde functie vervullen, enz.) moeten verschillend gewaardeerd worden (Thagard, 2000; Damasio, 1994). Door waardeschalen aan te leggen, of een bepaalde volgorde te veranderen, kunnen 'botsingen' (inconsistentie) tussen dergelijke mentale objecten of functies worden vermeden. Op deze manier kan het brein haar functies en doelen en toekomstige handelingen logisch ordenen. En zo verkrijgt het brein een logische en coherente structuur.


Noot: dit is het eerste in een serie van 3 artikelen. Deel 2 verschijnt woensdag, deel 3 donderdag. Jan Riemersma is filosoof en docent maatschappijleer.
Literatuur: staat op deze pagina.
Beelden: Annemarie Petri, beeldend kunstenaar. Ik heb deze beelden gekozen omdat ze zo treffend de onlogische, incoherente wereld uitbeelden en geinspireerd zijn door de biologische wereld.

Posted by Gert Korthof at 14:25:00 | Permanent Link | Comments (2) |