Dinsdag, November 20, 2007

Rationaliteit en Evolutie (1)

Gastbijdrage Jan Riemersma



1. Rationaliteit

Wij zijn een product van de evolutie: daarom ligt het voor de hand dat ook onze rationaliteit een product is van de evolutie (Sterelny, 2003; Cosmides & Tooby, 1987; Buller, 2006; Dennet, 1995). De logische wetten vormen het hart van onze rationaliteit. De logische wetten die de basis vormen van het rationele denken moeten daarom niet beschouwd worden als formele, abstracte wetten, maar als praktische regels die onmisbaar zijn bij het vervullen van biologische doelen. Dat logisch denken verband houdt met het feit dat wij een lichaam hebben en dat wij ons adequaat moeten kunnen gedragen in de wereld, is beslist geen nieuwe gedachte: ze is reeds uitgewerkt door de Amerikaanse pragmatisten John Dewey en William James (Johnson, 2007).
Als onze bedoelingen, wensen en gedachten géén logische structuur hebben, dan is het moeilijk te begrijpen hoe wij een ingewikkelde handeling zoals het werpen van een steen naar een prooidier, in de juiste volgorde kunnen uitvoeren. Een worp moet tot in de details gepland worden (Calvin, 2004). Bovendien is het van levensbelang dat het brein alleen maar coherente instructies kan afleiden uit de beschikbare kennisbank(en). Immers, als er gevaar dreigt, kan verkeerde instructie of onduidelijke informatie, de aanleiding zijn van verkeerd (fataal) handelen. Het is belangrijk dat het brein er van doordrongen is dat het lichaam, zeker als er gevaar dreigt, nooit meer dan één handeling tegelijkertijd kan uitvoeren. Wij kunnen niet naar links én rechts vluchten, ook al constateert het brein dat beide vluchtwegen in aanmerking komen. Ook kunnen wij slechts één doel tegelijk vervullen. Een aap die niet beseft dat het de zware mango moet laten vallen teneinde snel te kunnen vluchten, brengt zichzelf in gevaar: het dier probeert twee doelen te vervullen, het wil (1) het voedsel behouden en het wil (2) vluchten. Hoe desastreus een incoherente set instructies kan zijn, demonstreerden de Duitse bewakers in de tweede wereldoorlog: men griste de pet van het hoofd van een gevangene en wierp deze op het gras. Nu was de gevangene ten dode opgeschreven, want het was verboden blootshoofds te gaan én het was verboden om op het gras te lopen. Een uitzichtloze situatie.

Beslissingen over ons gedrag zijn afhankelijk van de kennis waarover we beschikken: "Evidence from behavioral studies suggests that planning is influenced by a large array of visual and cognitive information, whereas control is influenced solely by the spatial characteristics of the target, including such things as its size, shape, orientation, and so forth." (Glover, 2004). Om verkeerde beslissingen te vermijden hebben onze kennisbanken en ons wereldbeeld daarom een logische en coherente structuur (Thagard, 2000). Hoe minder samenhangend daarentegen onze kennis en ons wereldbeeld zou zijn, hoe groter de kans op verkeerde beslissingen en handelingen.

Onze hersenen zijn zeer ingewikkeld: ze vervullen honderden functies. Al deze functies moeten op elkaar worden afgestemd. Het nemen van een beslissing is dan ook een ingewikkelde gebeurtenis, waarbij de hersenen voortdurend in de weer zijn met het tegen elkaar afwegen van verschillende zaken. Ook hierbij is een logische structuur wenselijk en zelfs noodzakelijk. De hersenen moeten alle verschillende processen in de juiste volgorde afhandelen.
Evolutie is een systematisch proces dat wezens aanpast -zo lang het duurt- aan hun omgeving. De ijsbeer heeft een witte, dikke vacht en mooie, brede 'sneeuwschoenen'. Ook het brein van de mens is een systematische aanpassing aan zijn omgeving: een coherent brein is beter in staat om (biologisch) adequaat gedrag te produceren.



2. Evolutionaire Oplossingen


De evolutie zoekt altijd naar oplossingen die 'werken' (en dit is de manier waarop de evolutie haar oplossingen ontdekt). Hoe heeft de evolutie de regels van de logica gevonden?
Wij leven in een wereld van kwantificeerbare objecten: stenen, bomen, bergen, meren, enz. Ook ons eigen lichaam is een middelgroot en kwantificeerbaar object. Kwantificeerbare objecten verhouden zich op een bepaalde manier tot elkaar: stenen, bergen, bomen, huizen, enz., kunnen niet op meerdere plaatsen tegelijk zijn, en evenmin kunnen meerdere stenen één en dezelfde plaats innemen. Dit zijn logische eigenschappen (!). Deze eigenschappen worden beschreven door de (formele) logische regels: een steen kan niet tegelijkertijd geen steen zijn, en een steen kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, enz.

Mijn veronderstelling is dat deze eenvoudige regels, die fysisch nauwelijks van belang zijn (de natuurwetten zijn daarentegen wel van belang), in de loop van de evolutie door ons brein gebruikt zijn om onze denkbeelden en dergelijke systematisch te ordenen. Door eenvoudigweg denkbeelden en doelen en handelingen te beschouwen als kwantificeerbare objecten, kan het brein de regels die voor alle kwantificeerbare objecten gelden gebruiken om zichzelf te ordenen. Op deze wijze kan het brein het lichaam behoeden voor fatale fouten zoals het tegelijkertijd vervullen van meerdere doelen, het niet in de juiste volgorde uitvoeren van ingewikkelde handelingen en het aanleggen van incoherente kennisbanken of het creëren van een incoherent wereldbeeld. Deze regels hebben direct hun weerslag op het gedrag: niet logisch geordend gedrag is nadeliger dan gedrag dat wel logisch geordend is. En dit verklaart hoe de evolutie heeft kunnen 'zien' dat logische regels 'werken'.

Het brein moet dus (1) concepten en handelingen en doelen duidelijk van elkaar onderscheiden (intentionele objecten moeten kwantificeerbaar zijn) en (2) alle mentale objecten behandelen als gewone kwantificeerbare objecten. Dat ons brein mentale objecten is gaan zien en behandelen als kwantificeerbare objecten, vindt zijn oorsprong in de werking van onze visuele waarneming. Ons visuele systeem is ontvankelijk voor o.a. de kwantificeerbare eigenschappen van voorwerpen, zoals omtrek en vorm (Glover, 2004). Dit zijn de eigenschappen die een object onderscheiden van andere objecten. Omtrek en vorm maken objecten kwantificeerbaar. Als men denkbeelden eenmaal beschouwt als objecten die duidelijk van elkaar onderscheiden zijn, kan het brein deze telbare objecten vervolgens manipuleren volgens de logische regels. Er bestaat bovendien een duidelijk verband tussen de visuele waarneming en rationaliteit: het blijkt in de praktijk moeilijk om aan te geven waar 'waarnemen' overgaat in 'denken': "(...) the border between perceptual and cognitive processes may be hard (...) to establish" (Tversky, 2004). Ook het feit dat nadenken over de wereld bestaat uit het bewerken van mentale modellen, sluit hier bij aan (Johnson-Laird, 2004). En wellicht beschikken mensen over een aangeboren mechanisme voor het bepalen en/of creëren van eenheden (tellen): zo lijken kinderen op universele wijze tijd, ruimte en hoeveelheid te kwantificeren (Feigensen, 2007). Hieruit mogen we concluderen dat logisch denken samenhangt met of zelfs voortkomt uit het waarnemen en het onderscheiden van kwantificeerbare middelgrote objecten. Tellen en onderscheid maken zit ons in het bloed.

Zodra twee objecten duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden, weten we ook hoe we ze coherent met elkaar kunnen combineren. Objecten die de dezelfde 'plaats' innemen (lees: op hetzelfde tijdstip werkzaam zijn of die eenzelfde functie vervullen, enz.) moeten verschillend gewaardeerd worden (Thagard, 2000; Damasio, 1994). Door waardeschalen aan te leggen, of een bepaalde volgorde te veranderen, kunnen 'botsingen' (inconsistentie) tussen dergelijke mentale objecten of functies worden vermeden. Op deze manier kan het brein haar functies en doelen en toekomstige handelingen logisch ordenen. En zo verkrijgt het brein een logische en coherente structuur.


Noot: dit is het eerste in een serie van 3 artikelen. Deel 2 verschijnt woensdag, deel 3 donderdag. Jan Riemersma is filosoof en docent maatschappijleer.
Literatuur: staat op deze pagina.
Beelden: Annemarie Petri, beeldend kunstenaar. Ik heb deze beelden gekozen omdat ze zo treffend de onlogische, incoherente wereld uitbeelden en geinspireerd zijn door de biologische wereld.

Posted by Gert Korthof at 14:25:00 | Permanent Link | Comments (2) |
Replies
1 - – Jan, een verzoekje tot verheldering: "Mijn veronderstelling is dat deze eenvoudige regels, die fysisch nauwelijks van belang zijn (de natuurwetten zijn daarentegen wel van belang), ....". Waarom zijn zij fysisch niet van belang? Wat bedoel je daarmee? (Comment this)

Geschreven door martin at 2007/11/20 - 15:51:28
2 - – martin, deze feiten zijn niet belangrijk omdat ze geen oorzakelijke rol hebben en omdat ze geen kracht uitoefenen op andere fysische objecten. Dat twee stenen niet op dezelfde plaats kunnen liggen is common sense knowledge (folkphysics), meer niet. Ach, je hebt veel eigenschappen die niet belangrijk zijn voor de fysica: dat je je kunt snijden aan een scherp voorwerp, dat je een kegel niet op de kop kunt neerzetten, dat je een kist ook als een stoel kunt gebruiken, enz. In het dagelijkse leven, voor mensen, zijn dergelijke eigenschappen overigens wel wetenswaard. (Comment this)

Geschreven door jan riemersma at 2007/11/21 - 13:50:27 in reply to: 1
Schrijf een reply