Sunday, November 15, 2009

Darwin symposium Utrechtse universiteit (2)

Naast dieptepunten, zoals de lezing van Prof. Giovanni Dosi, waren er voldoende interessante lezingen om het Darwin symposium  van de Utrechtse Universiteit op 12 nov 2009 de moeite waard te maken (zie hier voor het complete programma). De eerste drie sprekers zijn werkzaam op het gebied van de evolutiebiologie: Rolf Hoekstra, Jelle Reumer en Menno Schilthuizen, ze  hadden uitstekende verhalen. Vooral de laatste twee hielden rekening met de aanwezigheid van studenten (aantrekkelijke presentatie).

Rolf Hoekstra noemt het feit dat Darwin een foute erfelijkheidstheorie had: blending inheritance (dat is algemeen bekend), maar legt niet uit hoe Darwin dan tóch een correcte en overtuigende theorie van natuurlijke selectie kon hebben. Dawkins legt dit ook niet uit in zijn Greatest Show on Earth. Ook in zijn textbook (Stearns and Hoekstra, 2005) legt Hoekstra dat niet uit: “Darwin’s model of inheritance was logically flawed and did not fit the facts” (p.15) en daardoor kan er geen response op natuurlijke selectie komen. Dit is geen kleinigheid, want algemeen wordt geaccepteerd dat de grote en originele bijdrage van Darwin juist het mechanisme van evolutie, nl natuurlijke selectie was. Maar dat kon toen in 1859 niet werken. Nu weten we dat natuurlijke selectie werkt omdat we een correcte erfelijkheidstheorie hebben (Mendelse genetica). De logische conclusie zou dan moeten zijn dat niemand zich in 1859 door Darwin had mogen laten overtuigen van de werkzaamheid van natuurlijke selectie als mechanisme van evolutie. Hoekstra trekt deze conclusie niet, althans niet in het openbaar (om creationisten niet in de kaart te spelen?). Ik heb wel een idee hoe we dit moeten oplossen, dwz waarom natuurlijke selectie toch kon werken in 1859, maar daarover in een volgend blog. Verder adviseerde Hoekstra om Francis Galton (1885) Law of Ancestral Heredity te lezen. Karl Pearson (1895) had daarover geschreven: “The law of ancestral heredity will in the future play as large a part in the theory of evolution…”, wat een profetische uitspraak was, omdat genetica inderdaad een sleutelrol is gaan vervullen in de evolutietheorie. Dit benadrukt m.i. alleen het dilemma waarin Darwin zich bevond: mensen van de effectiviteit van natuurlijke selectie overtuigen zonder een werkende erfelijkheidstheorie.

Volgens Jelle Reumer publiceerde Kovalevsky, een amateur paleontoloog, in 1876 de eerste stamboom van paarden,  maar deze was fout omdat hij zijtakken verbond en de andere fossielen niet kende. [dit werpt een licht op de vraag waarom Darwin dit soort stambomen nooit gepubliceerd heeft: er was in zijn tijd te weinig fossiel materiaal om betrouwbare stambomen te construeren]. Pas Simpson (1953) publiceerde een stamboom van paarden, die nu nog steeds geldig is. Het thema van Reumer is: wat zijn goede en slechte evolutionaire verhalen? Kovalevsky had een fout verhaal, Simpson had een goed verhaal. Verder: Ida is een slecht verhaal (Ida is geen missing link, Ida is een zijtak, het Ida-boek heeft veel fouten zoals foute spelling van taxa namen), maar Tiktaalik is een goed verhaal.  Een ander goed verhaal gaat over de oplossing van een vraagstuk dat al in 1881 door Saville (?) is gesteld: hoe kan een zoogdier uit een eierleggend dier ontstaan? De oplossing is: HERV-w retrovirus dat onze placenta vormt.

Menno Schilthuizen had een zeer interessant verhaal over Darwin’s opvatting wat soorten zijn. Die was behoorlijk anders dan tegenwoordig, we zouden zeggen: fout. Darwin hanteerde de definitie dat soorten een groep individuen zijn met hetzelfde fenotype en vond bovendien dat het begrip soort een arbitrair -door mensen aan de natuur opgelegd- begrip was. Nu definieren we soorten als groepen van individuen die niet onderling kruisen. Daarom wordt Darwin genegeerd als het om de moderne definitie van soorten gaat. Maar volgens Schilthuizen is dit niet terecht. Als je uitspraken van vooraanstaande evolutiebiologen analyseert, houden zij zich zelf ook niet helmaal aan het biologisch soort begrip. Schilthuizen toont aan dat moderne ontwikkelingen weer enigszins in de buurt komen van Darwin’s soortbegrip. Er zaten veel meer interessante inzichten in zijn verhaal. Ik hoop dat hij het hele verhaal ergens publiceert (site Naturalis?) of dat hij zijn pp ter beschikking stelt. (1)

De sessie evolutionaire psychologie bestond uit Robin Dunbar en Thomas Pollet (Liesbeth Sterck was helaas verhinderd door ziekte). Dunbar heeft een -kennelijk succesvol- verhaal over de oorzaken van groepsgrootte bij mensen: het getal 150 staat in de wikipedia bekend als Dunbar’s number! Hij legt verbanden tussen groepsgrootte, sociale netwerken, cognitieve capaciteiten, altruisme, intimiteit (touching, laughter, siniging), grote hersenen, theory of mind. Thomas Pollet geeft een Darwinistisch evoutionair perspectief op partnerkeuze: vrouwen willen vooral rijke mannen. Dit heeft hij op allerlei manieren onderbouwd met data uit verschillende landen.

De middag begon met een sessie over evolutionaire economie. Zoals gisteren gezegd vormde prof. Dosi een dieptepunt. Ron Boschma had een redelijk interessant verhaal over de ongelijke geografische verdeling van economische activiteit (clustering), maar zijn pp presentatie was saai (zonder illustraties). Jeroen van den Bergh is geinteresseerd in milieuvraagstukken en beleid, is een enthousiast spreker, maar wil te veel vertellen in een te korte tijd. Zaken als een 14-voudige toename van de globale economie en een 16-voudige toename van energieverbruik, etc zijn allemaal belangwekkende feiten, maar de toehoorders hebben nauwelijks tijd om het tot zich door te laten dringen.

Van het blokje evolutionary medicine was 1 van de 3 sprekers ziek (ironisch!). Rudi Westendorp (duidelijk herkenbaar aan vlinderstrik) had een betoog dat tegenwicht moest bieden tegen veel onderzoek dat het belang van moeders in de evolutie benadrukt (betere overleving van kinderen, grootmoeders zijn van belang, menopauze is van belang, maternale erfelijkheid van mitochondrieën). Zijn verhaal ‘Males matter’ was enigszins provocerend. Ik zou dat graag eens willen nalezen in een publicatie waarin hij alles op rijtje zet, want het is zeker intrigerende materie. Ik kon tijdens zijn verhaal niet goed beoordelen welke conclusies er te trekken vielen uit alle grafieken die op het scherm voorbijvlogen. Wat is bijvoorbeeld nu het effect van het gegeven dat mannen in principe (ook feitelijk?) méér kinderen kunnen krijgen omdat ze langer vruchtbaar zijn dan vrouwen? Westendorp is medicus en houdt zich bezig met veroudering en levensduur. Als tweede en laatste in dit blok was Frits Muskiet met evolutionaire achtergronden van ons dieet. Hij blijkt een verdediger van het overbekende maar controversiële Paleodieet van Cordain. Dit dieet verwerpt alle landbouw en  veeteeltproducten die de mens sinds 10.000 jaar (vooral graanproducten, zuivelproducten) geïntroduceerd heeft. Ook hangt hij de visie aan dat de mens altijd aan in een land-water ecosysteem heeft geleefd. Zonder enige bedenking beveelt hij veel vis aan, ondanks overbevissing van veel soorten. Enige kritiek op zijn eigen standpunten heb ik niet kunnen ontdekken.

Tenslotte: filosoof en Darwinkenner Michael Ruse (USA): hij wordt algemeen erkend als dé kenner van Darwin. Ik vind hem altijd méér Darwin-historicus dan Darwin-filosoof, en die middag gaf hij dat ook min of meer toe. Dat hij wereldwijd honderden voordrachten heeft gegeven is wel te merken: zeer geroutineerd, humor, enthousiasme, alles gebracht alsof hij het voor de eerste keer doet, dus geen sleur, en vooral een bijzonder powerful spreker. Het is geen voordracht, het is een show. Iedere zin is belangrijk en wordt met veel nadruk uitgesproken. Dat moet ook wel als je altijd de laatste spreker van de dag bent. Inhoudelijk: volgens Ruse is de filosoof William Whewell een zeer belangrijke (misschien doorslaggevende)  inspiratiebron voor Darwin geweest. Whewell definieerde wat een goede wetenschapper is. Wat voor Darwin belangrijk was dat hypotheses die je niet direct kunt bewijzen toch wetenschappelijk kunnen zijn. Je moet in dat geval naar indirect bewijsmateriaal zoeken. Dat is precies wat Darwin deed in The Origin of Species. Verhelderend. Over de Archaeopteryx: “Darwin brings it in”. Volgens mij is dat niet juist. Darwin voert de Archaeopteryx helemaal niet triomfantelijk in The Origin op als missing link of überhaupt als bewijsmateriaal. Integendeel: als bewijs dat we nog zo weinig weten van de uitgestorven dieren- en plantenwereld. Interessante opmerking over embryos, jonge dieren, volwassen dieren: breeders don’t care about puppies or young animals, only the adult animal is important. In 1865 werd evolutie algemeen aanvaardt, maar werd er heftig gestreden over de oorzaken (natuurlijke selectie of iets anders). De beroemde bioloog T. H. Huxley verwierp het belang van natuurlijke selectie. Dit had te maken met de foute erfelijkheidstheorie van Darwin (zie boven). Was het anders gelopen wanneer Darwin Mendel had gelezen? Waarschijnlijk niet. Mendel zelf had Darwin wel gelezen, maar zag in zijn eigen erfelijkheidstheorie niet de oplossing voor Darwin: Mendel did not see his heredity theory as a solution to Darwin’s natural selection. Interessante gedachte, maar Mendel was waarschijnlijk anti-evolutie. Dus niet neutraal.  Het tweede bezwaar van Darwin’s tijdgenoten tegen natuurlijk selectie was dat het een veel te traag proces is, zeker in een tijd dat men geloofde dat de aarde slechts 100 miljoen (?) jaar oud was. Zoals bekend zijn beide problemen met natuurlijke selectie later opgelost. Een ander trilobiteprobleem was dat de eerste dieren in het Cambrium complex waren, zoals de in zee levende trilobites, zonder dat er eenvoudiger organismen in oudere lagen gevonden waren. Dat was het moment dat Ruse trots de trilobite tatoeage op zijn arm liet zien. Hij had het stiekum gedaan toen zijn vrouw op vakantie was! Later zijn er in pré-cambrium lagen wel fossielen gevonden. Een ander probleem voor Darwin was dat hij niet wist waardoor de dinosauriërs waren uitgestorven. Ernst Mayr waarschuwde tegen het zoeken van overeenkomsten tussen zeer verschillende diersoorten. Helaas voor Mayr, werd later sterk overeenkomende hox genen gevonden in mens en fruitvlieg, vertelt Ruse triomfantelijk (alsof hij hox zelf gevonden had).

Good science starts with a problem at breakfest, solves it at lunchtime, and finds two new problems at dinnertime. Dit geldt m.i. ook voor de evolutietheorie in de afgelopen 150 jaar. Gelukkig maar.

Het symposiumprogramma op de website van de UU geeft links naar websites van de auteurs. Ik hoop dat ze het nog een tijdje laten staan.

Stephen Stearns, Rolf Hoekstra  (2005) Evolution second edition paperback Oxford University Press.

Chris Buskes (2007) Evolutionair denken. de invloed van Darwin op ons wereldbeeld.

Noten

  1. Ondertussen heb ik de pp en bijbehorende literatuur. De inhoud van zijn verhaal is in grote lijnen terug te vinden in een artikel in BioEssays: pdf . Zie verder zijn homesite op Naturalis website. Zie ook: website van James Mallet: Species, speciation and related topics.

tags: lezingen

Posted by Gert Korthof in 11:10:08 | Permalink | Comments (49)