De ‘Great Chain of Being’, missing links en overgangsvormen (1)
Gastbijdrage Bart Klink
Al sinds mensenheugenis wordt de natuur door mensen op een bepaalde manier ingedeeld, ook de levende natuur. Meestal wordt er hierbij van uitgegaan dat soorten onveranderlijk zijn omdat ze een soort essentie hebben. Het is niet alleen te vinden in de Bijbel (waarin God wezens naar hun aard schiep), maar ook in Plato’s Vormen (of Ideeën) en latere vormen van idealisme. Ondanks dat er bijvoorbeeld paarden zijn in allerlei soorten en maten, delen ze volgens dit gedachtegoed een essentie die ze alle tot Paard maakt. Aristoteles breidde deze visie uit tot een kettingachtige serie van vormen, waarbij elke vorm een schakel representeert in de progressie van imperfectie tot perfectie (Strickberger, 2000). Dit is bekend geworden onder de naam Scala Naturae, ladder van de natuur. Hetzelfde idee is later ook bekend geworden als de Great Chain of Being.
Dit idee snijdt intuïtief hout omdat we in de natuur verschillende maten van complexiteit waarnemen, waardoor er gemakkelijk een rangschikking plaatsvindt van laag naar hoog, van primitief naar geavanceerd. Deze orde in de levende natuur werd gezien als het werk van God. De statische aard van deze ordelijke rangschikking bleef volgens velen bewaard doordat elk nieuw organisme begon als een miniatuurversie en tijdens de embryonale ontwikkeling slechts vergroot werd tot een volwassene (en dus niet wezenlijk veranderde van vorm), een opvatting die bekend staat als preformatie. Omdat het aansloot bij zowel de intuïtie als religieuze opvattingen, is het niet verwonderlijk dat het populair is gebleven tot ruim in de achttiende eeuw. Een prominente aanhanger was Charles Bonnet (1720 – 1793), die een uitgebreide Chain of Being beschreef in zijn Contemplation of Nature uit 1764. Het rangschikken van alle dieren in één ketting bleek nog niet eenvoudig te zijn, wat soms leidde tot (naar hedendaagse maatstaven) vreemde schakels. Zo beschouwde hij bijvoorbeeld vleermuizen als schakel tussen vogels en zoogdieren. Walvissen zette hij zelfs op de enige zijtak aan zijn ketting (Bowler, 2003).
In de loop der tijd kwam er meer dynamiek in de statische kijk op de levende natuur. Bonnet zelf stond op latere leeftijd een beperkte mate van ontwikkeling toe in zijn ketting. Dat de ene soort na verloop van tijd over kon gaan in een andere (transmutatie) werd betoogd door twee grote namen: Erasmus Darwin (1713 – 1802, de grootvader van Charles Darwin) en Jean-Baptiste Lamarck (1714 – 1829). Lamarck ging uit van generatio spontanea (het spontaan ontstaan van leven) en postuleerde een inherent progressieve trend die het leven tot steeds hogere vormen van organisatie bracht, wat doet denken aan een getemporaliseerde (zich in de tijd ontwikkelende) Great Chain of Being, ofschoon hij enige vertakking toestond (Bowler, 2003). Als alle vormen zich steeds doorontwikkelen tot hogere vormen (en volgens Lamarck niet konden uitsterven), waarom zien we dan nog steeds lagere vormen? Lamarck beantwoordde deze vraag door te stellen dat leven steeds spontaan ontstaat. Doordat leven op verschillende momenten ontstaat, kunnen verschillende stadia in de ontwikkeling naast elkaar bestaan, zonder van elkaar af te stammen. In deze opvatting hebben mensen een ‘apenstadium’ gehad in hun ontwikkeling, maar zijn ze niet verwant aan de nu levende apen (Bowler, 2003).
In de loop van de negentiende eeuw begon het idee van een simpele Great Chain of Being steeds meer aan populariteit te verliezen. Dit kwam onder andere doordat er steeds meer fossielen werden gevonden die bewezen dat er soorten zijn geweest die aanzienlijk verschillen van de huidige soorten, wat moeilijk te rijmen is met het idee van één lineaire ordening van simpel naar complex. Dat neemt niet weg dat het idee van progressie naar de mens bleef bestaan. Deze opvatting paste goed in de zeitgeist van de Verlichting tot het eind van de negentiende eeuw, die gekenmerkt werd door een vooruitgangsgeloof. Op vergelijkbare wijze zag men ook in de embryonale ontwikkeling een dergelijk progressief plan, van ongewervelde via vis en reptiel tot zoogdier. Omdat progressieve ontwikkeling ook in het fossielenbestand te vinden is (simpel leven in oude lagen, complexe in jonge lagen), meende men dat de embryonale ontwikkeling (ontogenie) de evolutionaire ontwikkeling (fylogenie) herhaalt. Dit werd later bekend als de recapitulatietheorie.
Het idee van progressie bleef populair in de negentiende eeuw, zij het met een opmerkelijke dissident: Charles Lyell (1797 – 1875). Zijn werk over geologie (Principles of geology, 1830–33) was invloedrijk (o.a. op Charles Darwin), maar het idee van progressie naar de mens stuitte hem tegen de borst omdat hij wegens religieuze redenen niet wilde accepteren dat er een connectie bestaat tussen mens en dier. Het idee van progressie werd wel verdedigd door Robert Chambers (1802 – 1871) in zijn (anoniem verschenen) Vestiges of the Natural History of Creation uit 1844. Chambers ging uit van transmutatie volgens een goddelijk plan, maar dat mocht niet verhelpen dat zijn opvattingen gevoelig lagen bij de gevestigde Victoriaanse orde.
Een grote aanhanger van Darwin op het vaste land was de Duitser Ernst Haeckel (1834 – 1919). Heackel was een fervente progressionist en beeldde evolutie uit als een boom waarbij de stam direct leidt naar de mens aan de top (figuur hiernaast). Zijn recapitulatietheorie was hiermee volledig in overeenstemming: de ontogenie herhaalt de fylogenie in de progressieve ontwikkeling van ongewervelde naar uiteindelijk de mens. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Heackel meende dat er een link moest zijn geweest die de mens met de apen verbindt: Pithecanthropus alalus, aapmens zonder spraak.
Ofschoon Haeckel zich beschouwde als een aanhanger van Darwin, is zijn boom, die in wezen een lijn is met de mens aan top, verschillend van Darwins Tree of Life. Door de vele vertakkingen van de Tree of Life is er geen sprake van een bevoorrechte positie van de mens. Ook was het voor Darwin duidelijk dat hedendaagse dieren niet van elkaar afstamden, maar gemeenschappelijke voorouders hadden. Er is dus geen directe link tussen mensen en moderne apen (een aapmens).
Dit is een goede reden om de term aapmens niet te gebruiken, hoewel dit in de populaire media vaak gedaan wordt (maar in de serieuze literatuur vrijwel niet!). Het idee van een aapmens geeft sterk de indruk dat wij van moderne apen afstammen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat leken wel eens vragen: “als mensen van apen afstammen, waarom zijn er dan nog apen?”.
Hoe verhouden mensen zich dan wel tot apen? Vaak wordt hierover gezegd: “wij stammen niet van apen af, maar delen een gemeenschappelijke voorouder met ze”. Dit is echter maar ten dele juist. Het probleem zit in de betekenis van het woord “aap”. Volgens de Grote Van Dale is een aap een “vierhandig zoogdier van de onderorde Anthropoidea van de orde der primaten”. Wie naar de taxonomische indeling van de mens kijkt, zal erachter komen dat ook wij tot de onderorde Anthropoidea (tegenwoordig Haplorhini) behoren. Wij zijn dus ook apen!
Dit is niet alleen taalkundig juist, maar zeker ook volgens de moderne biologische classificatie. Daarin worden organismen gegroepeerd aan de hand van verwantschappen: alle dieren die van dezelfde gemeenschappelijke voorouder afstammen, behoren tot dezelfde taxonomische groep en verdienen dus ook dezelfde naam. Als hieraan voldaan is, wordt zo’n groep monofyletisch genoemd. De mens als enig dier uit de monofyletische groep van de apen plaatsen (waardoor en parafyletische groep ontstaat), is dan ook taxonomisch onjuist. Wij vormen met de andere apen een natuurlijke (monofyletische) groep en dienen dus ook als apen geclassificeerd te worden. We delen een gemeenschappelijke voorouder met andere apen, net als dat een forel een gemeenschappelijke voorouder deelt met andere vissen. Een andere reden dat de term aapmens laakbaar is, is dat het twee taxonomische niveaus combineert (orde met geslacht). Een aapmens is hierdoor vergelijkbaar (en net zo onzinnig) met een “visforel”.
(dit is het eerste deel uit een serie van twee. Deel twee verschijnt maandag)
tags: gastbijdrage

* Bart Klink, Ik zie dat je nog geen reactie hebt. Ik besef dat ik geen inhoudelijke reactie geef. Ik zou willen dat de ware intelligente Martin (Jan geeft dat een paar onderwerpen geleden toe) er in elk geval wel een reactie op kan geven. Mij valt op, als lezer van het hele blog tot nu toe, dat het woord religie in welke titel dan ook tot veel meer reacties leidt dan zo een serieus verslag van je eigen verdere studie (of om het even bepaalde onderwerpen van Gert, die niet het woord religie bevatten). En daar zit steeds voortgang in. Jan Riemersma en Martin van Staveren herhalen toch vaak hun posities. Beiden hebben daarin gelijk, maar maken weinig beweging, naar mijn smaak. (Ik eet graag haas, die er nauwelijks nog rondloopt in Drenthe, dus ik eet geen wilde haas, laat staan dat ik nog weet hoe ik hem of haar moet villen.) Dit is een blog dat serieus is. Ik ben een serieuze lezer. Ook soms van je eigen website. Hopelijk concentreren de giganten van de overall-discussie zich nu ook op jouw stukken. Succes met het tweede deel.
* Bart Klink, de classificatiemethoden van biologen zijn toch niet meer dan abstracties van gevonden overeenkomsten? De tree of life heeft een continu proces doorlopen, dus zijn de grenzen die biologen trekken min of meer arbitrair. Ik ga er vanuit dat biologen redenen hebben om bepaalde groepen te identificeren. Prima - daar bemoei ik me niet mee!
Het wordt levensbeschouwelijk interessant als je schrijft: “Wie naar de taxonomische indeling van de mens kijkt, zal erachter komen dat ook wij tot de onderorde Anthropoidea (tegenwoordig Haplorihini) behoren. Wij zijn dus ook apen!”
Nee, wij zijn mensen, die biologisch worden geclassifieerd als ‘aap’. Maar er zijn meer manieren om de mens te benaderen dan strikt biologisch. Zoals alle wetenschappen, biedt de biologie een gereduceerde benadering van een deel van de werkelijkheid. Daar lijken vooral biologen niet echt van doordrongen te zijn…
* Bart, Simon, Haplorihini is een typefout, moet zijn: Haplorhini. Zie wiki. Overigens is de uitdrukking de mens is een aap ook fout, juist is: de mens is een Haplorhini primaat. Onder Haplorhini vallen behalve apen ook spookdiertjes.
Simon, waarom heb je bezwaar tegen de mens is een aap, en niet tegen: de mens is een primaat, de mens is een zoogdier, de mens is een viervoeter, de mens is een gewerveld dier, de mens is een dier, de mens is een eukaryoot?
* Gert, zie comment #2.
* Simon, ik reageer juist op #2. Dus dit is geen antwoord op mijn vragen aan jou in #3.
Een biologische classificatie heeft geen ander doel dan het classificeren van biologische soorten. Daar zitten geen levensbeschouwelijke aspecten aan. Classificatie wordt tegenwoordig met DNA gedaan. Is een technische aangelegenheid. Het maakt een voorspelling mogelijk over hoeveel DNA gelijkenis je hebt met dieren of planten.
Voorbeelden van reductionisme: u weegt 75kg, U behoort tot de groep III inkomstenbelasting of zo, uw hebt schoenmaat 42 of zo, u bent 1.75m, U bent Nederlander. Dit soort reductionisme heeft totaal geen normatieve betekenis zolang je er geen consequenties aan verbind. Als iedereen kleiner dan 1.75 méér belasting moet betalen, dan is het discriminerend, maar dat ligt niet het reduceren van mens tot zijn lengte, zeker niet aan reductionisme persé.
“Nee, wij zijn mensen, die biologisch worden geclassifieerd als ‘aap’.” So what? Waar zit de tegenspraak? Er wordt niet ontkent dat je tot de soort mens behoort, je wordt alleen geclassificeerd binnen een biologische classificatiesysteem.
Nee, wat pas echt reductionistisch is, is het geval van identiteitsroof of persoonsverwisseling: wanneer computergegevens over jou zeggen dat betrokken bent bij drugshandel en wapendgevaarlijk bent en je daar niets aan kunt veranderen omdat justitie er van uit gaat dat wat er in hun computer staat correct is. Dat is pas reductionistisch! Daar ben ik wel bang voor. Gereduceerd worden tot je sofinummer of paspoortnummer of digiD code.
Maar als een bioloog zegt: Simon jij behoort tot de Haplorhini ben je dan bang dat je opgesloten wordt in Artis? Het soort reductionisme dat pas echt erg is: als je als slaaf verkocht wordt omdat je gereduceerd bent tot verhandelbare arbeidskracht, of een vrouw verkocht als prostituee, etc.
Komt een man bij de dokter, zegt de dokter: u hebt een tumor in de hersenen. Zegt de man: u reduceert mij tot een tumordrager, of misschien wel tot een tumor, wat een afschuwelijke reductionist bent U! en de man liep snel de spreekkamer uit, de straat op.
* Theo Smit, controversiële onderwerpen (zoals wetenschap-religie) zorgen altijd voor meer discussie dan puur informatieve onderwerpen. Daarom heb ik er ook voor bewust gekozen om er ook iets prikkelends in te verwerken (de mens is een aap) en zo te zien heeft het gewerkt. Ik denk overigens dat het wel goed is om niet altijd in verhitte discussie te belanden, waartoe controversiële onderwerpen veelal leiden. Het tweede deel is trouwens al klaar, maar staat pas voor morgen gepland.
* Simon, ik zag laatst een TV uitzending over schizofrenie. De persoon zei: ik ben geen schizofreen, ik ben Henk. Dus, hij voelde het label schizofreen als reductionisme en beledigend. Dat lijkt me een goed voorbeeld van reductionisme waar je bezwaar tegen kunt hebben. Biologische classificatie is nooit discriminerend.
* Simon, Het is zeker waar dat de biologische classificatie min of meer arbitrair is, maar dat wil niet zeggen dat het niet intern consistent kan zijn. Laat me dat uitleggen. De moderne classificatie is gebaseerd op evolutionaire verwantschappen: alle dieren die een gemeenschappelijke voorouder delen behoren tot dezelfde groep. Als aan deze eis is voldaan, spreken we van een monofyletische groep (letterlijk: één stam). Zo’n groep voortkomend uit dezelfde gemeenschappelijke voorouder noemen we een clade. Een clade is dus per definitie monofyletisch. Deze manier van classificatie wordt daarom cladistiek genoemd. Jij vormt met al je broers en zussen (als je die hebt) een clade omdat jullie dezelfde gemeenschappelijke voorouder hebben (jullie vader en moeder). Jij vormt ook met al je neven en nichten een (grotere) clade omdat jullie ook dezelfde gemeenschappelijke voorouder delen (jullie opa en oma). Als je dit doortrekt, krijg je dus een systeem van clades in clades, een geneste hiërarchie. Hieruit blijkt dus dat je tegelijk in meerdere clades kunt zitten. Moderne taxonomie probeert deze geneste hiërarchie weer te geven.
Zo zitten wij met alle andere mensen in de clade Homo sapiens (moderne mensen dus), maar zitten wij ook in de grotere clade Haplorhini (apen dus). Wij zijn dus net zo goed mensen als apen, afhankelijk van over welk niveau in de geneste hiërarchie je het hebt. We zijn ook mensapen (want we behoren tot de clade Hominoidea), maar ook primaten, zoogieren, chordadieren enz., afhankelijk van het taxonomische niveau je kijkt.
Welke gemeenschappelijke voorouder je kiest om een clade mee te definiëren is min of meer arbitrair, maar je moet vervolgens wel alle afstammelingen van alleen die gemeenschappelijke voorouder includeren in die clade (interne consistentie).
Dit heeft niets met reductionisme te maken, maar geeft simpelweg aan hoe onze evolutionaire verwantschappen zijn met andere dieren. Door ons als aap (Haplorhini) te classificeren, zeg je impliciet dat wij meer verwant zijn aan een gorilla dan een gorilla aan een makaak. Wij vormen immers een monofyletische groep met de gorilla, met uitsluiting van de makaak, maar de gorilla vormt geen monofyletische groep met de makaak met uitsluiting van ons. Dit is strijdig met hoe de meeste mensen hierover denken: zij beschouwen gorilla en makaak als aap, maar de mens niet, waardoor het lijkt dat de gorilla en makaak meer aan elkaar verwant zijn dan gorilla en mens. Dit is biologisch gezien dus onjuist en daarom heb ik er hier de aandacht op gevestigd. Het gebruik van de juiste classificatie geeft dus explicieter aan hoe nauw wij aan andere apen (en dieren dus) verwant zijn, een werkelijkheid die sommige mensen helaas ongemakkelijk doet voelen.
* gert korthof, bedankt voor het wijzen op de typefout, slordig van me. Kun je het nog aanpassen in het artikel? Je komt ook regelmatig de spelling Haplorrhini tegen (met dubbel r dus), maar dat is onjuist als je naar de Griekse herkomst van het woord kijkt.
De term Haplorhini heeft de term Anthropoidea vervangen, met als enige verschil dat de Tarsiiformes nu ook tot de apen (Haplorhini) gerekend worden in plaats van tot de halfapen (vroeger Prosimii, nu Strepsirhini). Spookdiertjes zijn nu dus ook apen, terwijl ze in de oude classificatie halfapen waren.
* gert korthof en anderen: er is zelf een officiële opleiding tot reductionist (of misschien zijn er nog wel meer): human resouce manager. Het personeel gereduceerd tot hulpbron!
* Theo Smit, ik zie in Bart’s blog, dat duidelijk een historisch overzicht is, geen opponeerbare these. Svp niet te veel (al dan niet terechte) eulogie over mij, want daar krijg ik het ongemakkelijk van …
Of een mens een aap genoemd wordt of niet, kan mij niet schelen. Aan definitiekwesties moet je nooit te veel tijd besteden.
Voor wat Jan wil, moet m.i. een intellectuele sprong gemaakt worden. Dat is mij te filosofisch. Dat is geen waarde oordeel, het is een kwestie van intellectuele smaak. Ik heb juist de neiging, de andere kant op te gaan, dus lezen over geologie, over gen expressie, etc. Ik beleef daar meer plezier aan dan aan welles-nietes debatjes.
* Bart Klink, bedankt voor de nadere toeliching. Je schrijft: “Welke gemeenschappelijke voorouder je kiest om een clade mee te definiëren is min of meer arbitrair, maar je moet vervolgens wel alle afstammelingen van alleen die gemeenschappelijke voorouder includeren in die clade (interne consistentie).” - helder!
Wat vinden biologen eigenlijk interessanter: overeenkomsten of verschillen? Ik ben geneigd te focussen op verschillen en constateer een grote kloof tussen gorilla’s, chimps en bonobo’s aan de ene kant en mensen aan de andere kant. Daarom vind ik ‘de mens is een aap’ niet een passende uitdrukking. Dat heeft niets te maken met het feit dat ik mij ongemakkelijk zou voelen bij een nauwe verwantschap tussen gorilla’s, chimps, bonobo’s en mensen, maar meer met het feit dat ik de mens blijf zien en waarderen als een unieke soort. Meer uniek dan alle andere soorten.
* Simon, ‘meer uniek’ is taalkundig gezien onzinnig! Vergelijk: ‘Simon is meer uniek dan alle andere mensen’. Ook onzin! Ik blijf iedere soort waarderen als unieke soort. Een soort is per definitie uniek, anders zou het geen aparte soort zijn. Ik vrees dat hier je christelijke achtergrond nog steeds in de weg zit van een logische benadering van het probleem
Gevaarlijk is je uitspraak: “ik de mens blijf zien en waarderen als een unieke soort”: vandaar dat Marianne Thieme zich van de christelijke kippeboeren op de Veluwe had afgekeerd. Vandaar dat de bioindustrie heel goed samengaat met christenzijn. Ze waardeerden de mens méér dan het welzijn van een stomme kakelende kip.
* Gert, probeer nou eens niet alles op 1 hoop te gooien en dan iets met ‘christelijk’ en ‘probleem’ te roepen. Op stigmatiserende opmerkingen ga ik niet in. De uniciteit van de mens t.o.v. het gehele dierenrijk is redelijk eenvoudig te verdedigen, daar hoef je geen taalkundige voor te zijn.
* Simon, wat biologen interessant vinden is het patroon van overeenkomsten en verschillen. Op grond hiervan kun je op een objectieve manier verwantschappen bepalen. Voorts is elke soort uniek en heeft de indeling op grond van verwantschappen niets met waardering te maken. Traditioneel is dit misschien met elkaar verweven (het pas goed bij het idee van een Great Chain of Being!), maar in de moderne biologie staat het volledig los van elkaar. Verwantschappen kun je tegenwoordig objectief bepalen, waarderen is iets subjectiefs. Zie ook de reactie van Gert.
* Simon, ik weet ook wel dat jij tot de betere christenen behoort. Je hebt bijvoorbeeld in het verleden gezegd op dit blog dat je het vaak niet eens met christelijke politici. Nogmaals: christelijke boeren in de bioindustrie zien geen enkel conflict tussen hun bioindustrie en hun christelijk geloof. Dat is niet jouw schuld. Dat komt omdat in hun geloof alle dieren voor de mens geschapen zijn en die mag je gebruiken ten eigen voordele. Ze geloven dat dat de bedoeling is van God, hun God vindt dat goed. Vandaar dat jouw zinnetje met ‘waarderen’ zo gevaarlijk is. Zij waarderen dieren ook heel anders dan mensen.
* Gert, maar kijk nu eens naar wat je doet: enerzijds vind je het gevaarlijk om mensen anders te waarderen dan dieren. Anderzijds heb je er totaal geen moeite mee om mij een ‘betere christen’ te noemen dan boeren. Waar baseer je dat op? Op hun gedrag ten opzichte van dieren? Maar dieren gedragen zich ook niet aardig tegenover elkaar. Katten spelen met muizen voordat ze die oppeuzelen. Zijn katten dus slechtere dieren dan koeien? Volgens mij meet je met twee maten. Blijkbaar ken je aan de mens een bepaalde verantwoordelijkheid toe, want ze moeten zich zus of zo gedragen. Prima, maar onderken dan ook dat de mens daarin uniek is. Ik waardeer de mens anders dan de andere dieren, ondermeer omdat wij weten wat goed en kwaad is en verantwoordelijkheid dragen voor ons gedrag.
* Simon, goed punt. “Blijkbaar ken je aan de mens een bepaalde verantwoordelijkheid toe.” Ja. Maar dat is niet zo iets als een eigenschap die je bij je geboorte meekrijgt en een koe of kat niet. Het is iets wat je waar moet maken. Christenen (behalve jij) denken dat ze gratis, doordat ze door god geschapen zijn, uniek, beter, of zéér uniek zijn dan dieren. Maar, mijn punt is, dat zaken als moraal, verantwoordelijkheid geen eigenschappen zijn zoals je DNA, je 46 chromosomen, je blauwe ogen, je hersenen. Het is je gedrag: wat DOE je. Die christelijke bioindustrieboeren zijn gratis uniek.
* Simon, #17: “Maar dieren gedragen zich ook niet aardig tegenover elkaar.”. Bedankt voor dit fantastische argument. Waarom zou je aardig tegenover dieren zijn, als dieren niet aardig tegenover elkaar zijn? Ik weet wel dat je het niet zo bedoelt, maar dit is werkelijk een ideaal argument voor mensen in de bioindustrie, intensieve veehouderij, nerstfokkerij, visserij, etc.
* gert korthof, Jij schrijft: “Het is iets wat je waar moet maken. Christenen (behalve jij) denken dat ze gratis, doordat ze door god geschapen zijn, uniek, beter, of zéér uniek zijn dan dieren.”
Mijn respons daarop is dit: Ik vind dit echt een belachelijke generalisering. Waarom ben je zo genuanceerd waar het biologie betreft, en waarom moet je zo vaak van die generaliserende en denigrerende dingen schrijven als het religie betreft? Jouw naïviteit over deze denkbeelden is zo stuitend dat ik maar één raad heb: Ga alsjeblieft theologie studeren, doe daar een vak godsdienstpsychologie en -sociologie bij, en een hoofdvak systematische theologie - dan vel je misschien wat zinniger en genuanceerdere oordelen dan de generalisaties die je af en toe doet. Ik word van dergelijke opmerkingen echt pissig, sorry.
* Taede A. Smedes, het lijkt me beter om het gedrag van christelijke ministers en kamerleden in de Tweede Kamer kritisch te volgen in krant, radio en TV, dan kom je iets te weten hoe christenen zich in de praktijk gedragen. Dat leer je niet in de studie theologie. Wie stelt kamervragen over milieu, klimaat, dierenwelzijn, misleidende kipreclame, vertragingstactieken van de varkenssector tegen het invoeren van verbeteringen van dierenwelzijns, ondersteunen van de promotiecampagne ‘Van vis krijg je nooit genoeg’. Hoe zat het ook al weer met die subside op zonnepanelen voor particulieren? Hoe wordt daar op gereageerd door christelijke politici? Dáár leer je van hoe christenen in de praktijk zijn. Niet of ze zondag naar de kerk gaan, en hun kinderen dwingen de Heidelbergse catechismus uit hun hoofd te leren.
PS: Taede, ga eens terug naar je blog over de Olympsiche Spelen: “Balkenende en Bussemaker gaan op kosten van de belastingbetaler (jij en ik dus) naar de openingsceremonie om daar de Chinese overheid een veer in hun stijf dichtgeknepen poepert te duwen.” “ik ben zo ziek van al die hypocrisie” (1 aug).
* Gert, Dat mag allemaal zo zijn, maar juist door de hypocrisie van de ministers vind ik niet dat je die dus op één lijn mag zetten met andere christenen. Niet dat alle christenen nu zo goed zijn - ze zijn simpelweg net zo goed of slecht als alle mensen (inclusief atheïsten) zijn. Ministers zijn niet eens modelburgers! Het zijn mensen die ervoor gekozen hebben in een glazen huis te gaan zitten om beslissingen te nemen voor een heel volk. Het is dus totaal unfair om hen als een soort modelchristenen te gaan zien en hen als maat te nemen voor het hele christendom. Je maakt dus een soort stroman waar je op gaat schelden en schieten.
Dat zou hetzelfde zijn als wanneer ik ga zeggen dat alle biologen filosofisch onbenullen zijn, want kijk eens naar die Dawkins en die Dennett, die … etc. Bovendien, ga dan ook eens schelden op minister Plasterk, de (n)ietsist, die sinds hij op het overheidspluche zit ook eigenlijk amper iets heeft bereikt (ja, de hele cultuurwereld tegen zich in het harnas jagen en de Nederlandse culturele scene in de uitverkoop zetten). Hij zet blijkbaar ook zijn handtekening onder ieder regeerakkoord dat het CDA en de CU hebben bekokstoofd. Moet je hem dan niet ook als een hypocriete atheïst de beschuldigende vinger gaan toewijzen?
Als jij denkt dat deze vorm van argumenteren de discussie voorwaarts helpt… Ik ga mij niet tot een dergelijk niveau van discussiëren verlagen.
# 11, martin, sorry voor het je bezorgen van een ongemakkelijk gevoel: dat was niet de bedoeling. Ik wilde vooral uitdrukken dat ik bij het lezen van het hele blog me meestal het meest verwant voelde aan jouw manier van denken en poneren. De fysicus die zich ook interesseert voor de evolutievragen: dat is interessant. Het moeilijke is echter: je moet de (moeilijkste delen van de) fysica eigenlijk zelf ook snappen, en dat is maar weinigen gegeven.
Als (in het kader van de reikwijdte van Gerts blog: niet uitsluitend evolutie) kosmoloog Stenger beweert dat er eerder een God als Creator’ nodig zou zijn voor het Niets dan voor het Iets (in de gewone mensentaal volgens een van de recensenten, en voor zover ik begrijp wegens de ‘instabiliteit’ van de Niets-toestand) dan ben ik zoals velen met mij genoodzaakt dat aan te nemen in de wetenschap dat hij voldoende collegae heeft om hem te laten weten dat het onzin is als het onzin zou zijn. Mensen als jij kunnen dat echter wel zelfstandig beoordelen. Dat is een groot voordeel. Dat wou ik uitdrukken.
Barts Klink bijdrage is inderdaad vooral informatie. En ik zag vanochtend dan ook dat ‘de discussie’ zich toch vooral weer doorzet op de voorgaande blog: Religie exploiteert zeer diverse cognitieve systemen in de hersenen. Daar wil ik graag nog een punt aansnijden.
Want zowel wetenschap als religie exploiteren nogal wat cognitieve systemen in de hersenen?
(En cognitieve systemen bestaan buiten de hersenen trouwens toch niet?)
* Theo Smit, “je moet de (moeilijkste delen van de) fysica eigenlijk zelf ook snappen, en dat is maar weinigen gegeven”. Nou, dat is mij ook niet gegeven. Dat gebied is veel te groot, en ik heb niet oneindig veel tijd. Ik lees af en toe wel wat over quantum velden en many body theorieën en zo, maar de echte connaisseurs bevinden zich toch wel op een veel hoger nivo. Je kunt aan dat soort literatuur wel leuk zien, hoe theorie constructie plaats vindt. Ook zie je aan dat soort literatuur, dat de werkers in deze gebieden heel goed weten wat de problemen zijn. Er zijn veel fenomenologische theorieën (dus ad hoc theorieën waarvoor geen first principles afleiding bestaat) en die theorieën worden alleen maar gebruikt bij gebrek aan beter - iedereen weet dat. Als je b.v. op google zoekt naar “landau-fermi” dan vind je een beroemd voorbeeld van zo’n ad hoc theorie.
* Een voorbeeldje: zie: .
Dat wordt aangekondigd als zijnde de microscopische theorie van de supergeleiding.
In hoofdstukken 1 en 2 krijgen we een algemeen overzicht. Die kun je overslaan voor de bedoeling van wat ik zeg. In het begin van hoofdstuk 3 komt echter de aap uit de mouw. Daar staat “Those Green’s function are called normal Green’s functions. In the superconducting state this last condition is not true any more: There is a pair wave function with a definite binding energy which is macroscopically occupied ….”
Als je goed leest wat daar staat, dan zie je: wat in hoofdstukken 1 en 2 is beschreven levert geen supergeleiding op, dus we voeren gewoon ad hoc de “superconducting state” in. Die komt in hfd. 3 dus gewoon uit de lucht gevallen. Microscopische afleiding me hoela!
* #25 Martin, hartelijk dank. Voor de tip in comment 24 die ik volgde, maar waarbij ik meteen schrok (van eigen gebrek), en je moeite van tip 25 daaroverheen.
Ik ga nog een keer mijn best doen, maar het kan niet anders dan dat de conclusie is : dat soort aan me hoela-ongeloof kun jij hier waarschijnlijk waarmaken, maar nobody else op deze blog.
Ik begrijp hopelijk wel de ‘relativering’ van de wetenschap die je ook aan wilt brengen, juist in het kader van deze blog. Het zoeken en ploeteren en elkaar ongenadig de waarheid zeggen in termen van de wiskunde en fysica, het is simpelweg en gelukkig de gewoonte van het exacte vak. Een beetje als de schaakpartij. Maar Kasparov ging de politiek in, en dat bleek weer wat anders.
De echte wetenschappelijke discussies vinden natuurlijk uiteindelijk in de vakbladen plaats. Des te waardevoller dat je tenminste iets van je inzichten hier te berde brengt. Maar discussie op deze inhoud mag je van mij althans niet verwachten. (Was het maar waar.) Het is eenzaam aan de wetenschappelijke top, ook zonder het mooie woord eulogie.
* Theo Smit, de Nobelprijswinnar McLaughlin heeft er een boekje over geschreven: de staat van de theoretische fysica daar waar het om “complexe” systemen gaat is heel wat minder ver dan wel gesuggereerd wordt. Ik had gezegd dat wetenschappers goed weten wat de open problemen zijn, maar dat artikel over supergeleiding laat zien dat er ook profs. zijn die doen of hun neus bloedt. McLaughlin heeft het ihb over supergeleiding, dus vond ik dit wel een leuk voorbeeld. Je hoeft de theorie van Landau-Fermi liquids niet te begrijpen om in dat soort artikelen te zien dat veel dingen nog niet theoretisch volledig behapt worden. In het artikel van Smolin dat ik citeerde, staat dat onderaan pagina 5: er is een gap tussen de “highly technical and qualified language” van de experts and de taal waarin erover voor het algemene publiek wordt gesproken. Dat is een groot probleem (nou ja) met de populaire boekjes over snaartheorie, quantummechanica, etc. Er zijn b.v. wel mensen die een beetje over parallele universa speculeren, maar daar maken experts zich helemaal niet druk om. Het onderwerp staat wel leuk in populaire boekjes, waardoor het publiek de indruk krijgt dat het onderwerp grote belangstelling onder de experts geniet. Wie echt wat van theoretische fysica wil begrijpen, moet helaas eerst flink wat wiskunde, relativiteitstheorie en quantummechanica leren.
* Jan, je hebt een fan: scientisme