Monday, October 27, 2008

De ‘Great Chain of Being’, missing links en overgangsvormen (2)

gastbijdrage Bart Klink

In de negentiende eeuw ontstond een term voor het cruciale fossiel dat de link tussen apen en mensen zou moeten zijn: de missing link (Lewin & Foley, 2003). Naar deze ontbrekende schakel werd dan ook fanatiek gezocht, onder andere door de Nederlands arts Eugene Dubois. In 1892 vond hij op het Indonesische eiland Java wat hij zocht. Het fossiel dat hij vond doopte hij Pithecanthropus erectus, oftewel rechtoplopende aapmens, een verwijzing naar Haeckel (zie deel 1). Tegenwoordig heet deze soort Homo erectus, in populaire media ook wel Java-mens.

Presumed “missing links” between apes and humans in the Ladder of Nature.
From: ‘Stricberger’s Evolution’, fourth edition, page 10.
De tekening is afkomstig van C. Hoppius, een leerling van Linnaeus.

In de loop der tijd werd de term missing link niet meer alleen gebruikt voor de vermeende link tussen apen en mensen, maar ook om andere groepen dieren evolutionair met elkaar te verbinden, zoals vissen en amfibieën. Het is daarmee een populaire benaming geworden voor een overgangsvorm in het algemeen. Ofschoon de term op deze manier veel gebruikt wordt in populaire media (“Missing link tussen X en Y gevonden”), wordt hij nauwelijks nog gebruikt in de serieuze literatuur, hooguit metaforisch om een ontbrekende stap in een proces of cascade te duiden. Daar zijn mijns inziens goede redenen voor.

De term ‘missing link’ lijkt erg nauw verbonden met het achterhaalde idee van een Great Chain of Being. Of dit alleen taalkundig zo is (een link is immers een schakel uit een chain) of ook historisch zo is, blijkt niet duidelijk uit de literatuur. De The Cambridge Dictionary of Human Biology and Evolution (Mai et al., 2005) geeft bij het lemma “missing link”: “vernacular for any hypothetical intermediate form between two known species in the Great Chain of Being.”. In de digitale versie van de Encyclopaedia Brittanica (2008) is over de missing link te vinden “hypothetical extinct creature halfway in the evolutionary line between modern human beings and their anthropoid progenitors. In the latter half of the 19th century, a common misinterpretation of Charles Darwin’s work was that humans were lineally descended from existing species of apes. To accept this theory and reconcile it with the hierarchical Great Chain of Being, some fossil ape-man or man-ape seemed necessary in order to complete the chain.”

Volgens Peter Bowler, een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van het idee van evolutie (zie Bowler, 2003), daarentegen is de term ‘missing link’ pas gangbaar geworden toen het idee van een Great Chain of Being al had afgedaan, althans, officieel (pers. com.). Hij vermeldt er wel bij dat het idee van progressionisme bleef bestaan.

Afgezien van de mogelijke historische relatie tussen de term missing link en het achterhaalde idee van een Great Chain of Being, zijn er meerdere redenen om de term missing link niet meer te gebruiken. De eerste is een triviale taalkundige: een gevonden fossiel kan per definitie geen missing link zijn. De tweede is dat een link of schakel gemakkelijk in verband wordt gebracht met een lineair proces (al dan niet een Chain), wat strijdig is met het vertakkende proces van evolutie. De derde is dat er vaak gesproken wordt over de missing link, suggererende dat er één cruciaal wezen bestaan moet hebben dat de link vormt. In werkelijkheid zijn evolutionaire overgangen echter complex: ze bestaan uit vele fossielen die in meer of mindere mate een mengeling van eigenschappen vertonen van dieren voor en na een bepaalde overgang.

Er is nog een laatste reden, waar paleontoloog Kevin Padian op wijst tijdens zijn getuigenis in de Kitzmiller v. Dover rechtzaak (Padian, 2005). Door een bepaald fossiel te bestempelen als missing link, bestaat bij velen de indruk dat het ook een directe voorouder geweest is. Omdat evolutie een vertakkend proces is, is de kans klein dat je het fossiel van een directe voorouder vindt. De kans dat je een fossiel vindt die nauw verwant is aan die directe voorouder, is echter veel groter. Zo’n voorouder wordt een collaterale voorouder genoemd (collateral ancesor). Collaterale voorouders zijn als het ware de ooms en tantes van de directe voorouder, en ooms en tantes heb je meer dan ouders.

Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van de evolutie van viervoeters. Tiktaalik roseae (beschreven in Daeschler et al., 2006; Shubin et al., 2006) is een beroemd fossiel uit de transitie van water naar land (van gewervelde dieren). Het wezen vertoont een mengeling van kenmerken van vissen en landdieren. Het is echter zeker niet het enige dier uit deze transitie, maar wordt hierin vergezeld door vele andere fossielen die ook in meer of mindere mate een mengeling van kenmerken van vissen en landdieren vertonen. Doordat er tegenwoordig zoveel verschillende fossielen bekend zijn, wordt het steeds duidelijker dat er tijdens de overgang van water naar land verschillende lijnen naast elkaar hebben bestaan (Ahlberg et al., 2008). Het is dan ook niet te zeggen of Tiktaalik een directe voorouder van ons geweest is of nauw verwant daaraan was (een collaterale voorouder), maar grond van waarschijnlijkheid moet het vrijwel zeker een collaterale voorouder geweest zijn.

Een goed alternatief voor de term ‘missing link’ is overgangsvorm (transitional form). Deze term heeft niet de misleidende connotaties die de term missing link wel heeft. Een fossiele overgangsvorm is niet missend, is geen schakel, impliceert niet één speciaal wezen en kan zowel een directe als een collaterale voorouder zijn. Het enige wat niet vergeten moet worden, is dat een overgangsvorm niet een speciaal soort wezen is geweest. In feite is ieder dier dat voor nageslacht zorgt een overgangsvorm tussen zijn ouders en zijn kroost. Een beroemde overgangsvorm als Tiktaalik roseae leek dan ook net zoveel op zijn ouders en nageslacht als elk ander dier. In die zin is het dus niet bijzonder. Waarin het wel bijzonder is, is dat het een kijk geeft op een overgang die van grote invloed is geweest op onze eigen evolutionaire geschiedenis.

Hierbij dient niet vergeten te worden dat onze eigen evolutionaire geschiedenis slechts één van de vele geschiedenissen is uit de evolutie van het leven op aarde. Elke soort heeft immers zijn eigen geschiedenis, die op een bepaald punt dezelfde wordt als die van andere soorten. Dit is het punt waarop de gemeenschappelijke voorouder van die twee soorten leefde. Met chimpansees delen wij bijvoorbeeld de geschiedenis vanaf ongeveer 6 miljoen jaar geleden tot aan het ontstaan van leven, met het vogelbekdier vanaf ongeveer 180 miljoen jaar en vanaf zeekomkommers ongeveer 565 miljoen jaar. Richard Dawkins werkt dit principe prachtig uit in zijn boek The Ancestor’s Tale (Dawkins, 2004). Hij werkt terug in de tijd tot de gemeenschappelijke voorouder van al het leven, niet vooruit in de tijd naar de mens. Dit is een grote conceptuele verbetering in vergelijking met de meeste boeken over de evolutie van het leven op aarde.

Uit het bovenstaande blijkt dat antropocentrisme zelfs in de ontwikkeling van de evolutiebiologie een prominente rol heeft gespeeld. Ook vandaag de dag nog wordt evolutie nog vaak beschouwd als een progressief en lineair proces van lagere naar hogere levensvormen, met missing links en aapmensen die aan een Great Chain of Being doen denken. Dit is grotendeels de schuld van een gebrek aan goed onderwijs hierover en slecht geïnformeerde populaire media. Het wordt tijd dat het tij gekeerd wordt.

P.S.
Bovenstaande historische schets is uiteraard beknopt en laat noodzakelijkerwijs vele (vaak interessante) details achterwege. Voor een goede en recente introductie tot de geschiedenis van de evolutiebiologie verwijs ik graag naar het boek van Peter Bowler hierover (Bowler, 2003). Hierin zijn tevens vele verwijzingen te vinden naar andere literatuur over dit onderwerp.

(Het eerste deel van deze gastbijdrage verscheen zaterdag 25 oktober 2008)

Referenties

Ahlberg, P.E., Clack, J.A., Luksevics, E., Blom, H., Zupiņs, I. (2008) Ventastega curonica and the origin of tetrapod morphology, Nature, 453:1199-1204.

Bowler, P.J. (2003) Evolution: the history of an idea, 3rd ed., University of California Press.

Daeschler, E.B., Shubin, N.H., Jenkins, F.A. Jr. (2006) A Devonian tetrapod-like fish and the evolution of the tetrapod body plan. Nature, 440:757-763.

Dawkins. R. (2004) The Ancestor’s Tale: A Pilgrimage to the Dawn of Evolution, Weidenfeld & Nicolson

Mai,L.L., Young Owl, M., Kersting, M.P. (2005) The Cambridge Dictionary of Human Biology and Evolution, Cambridge UP.

Padian, K. (2008) The testimony of Kevin Padian in Kitzmiller v. Dover

Shubin, N. H., Daeschler, E.B., Jenkins, F.A. Jr. (2006) The pectoral fin of Tiktaalik roseae and the origin of the tetrapod limb. Nature, 440:764-771.

Strickberger, M.W. (2000) Evolution, 3rd ed., Jones and Bartlett Publishers.

tags: gastbijdrage

Posted by Gert in 10:20:59 | Permalink | Comments (92)

Saturday, October 25, 2008

De ‘Great Chain of Being’, missing links en overgangsvormen (1)


Gastbijdrage Bart Klink

Al sinds mensenheugenis wordt de natuur door mensen op een bepaalde manier ingedeeld, ook de levende natuur. Meestal wordt er hierbij van uitgegaan dat soorten onveranderlijk zijn omdat ze een soort essentie hebben. Het is niet alleen te vinden in de Bijbel (waarin God wezens naar hun aard schiep), maar ook in Plato’s Vormen (of Ideeën) en latere vormen van idealisme. Ondanks dat er bijvoorbeeld paarden zijn in allerlei soorten en maten, delen ze volgens dit gedachtegoed een essentie die ze alle tot Paard maakt. Aristoteles breidde deze visie uit tot een kettingachtige serie van vormen, waarbij elke vorm een schakel representeert in de progressie van imperfectie tot perfectie (Strickberger, 2000). Dit is bekend geworden onder de naam Scala Naturae, ladder van de natuur. Hetzelfde idee is later ook bekend geworden als de Great Chain of Being.

Dit idee snijdt intuïtief hout omdat we in de natuur verschillende maten van complexiteit waarnemen, waardoor er gemakkelijk een rangschikking plaatsvindt van laag naar hoog, van primitief naar geavanceerd. Deze orde in de levende natuur werd gezien als het werk van God. De statische aard van deze ordelijke rangschikking bleef volgens velen bewaard doordat elk nieuw organisme begon als een miniatuurversie en tijdens de embryonale ontwikkeling slechts vergroot werd tot een volwassene (en dus niet wezenlijk veranderde van vorm), een opvatting die bekend staat als preformatie. Omdat het aansloot bij zowel de intuïtie als religieuze opvattingen, is het niet verwonderlijk dat het populair is gebleven tot ruim in de achttiende eeuw. Een prominente aanhanger was Charles Bonnet (1720 – 1793), die een uitgebreide Chain of Being beschreef in zijn Contemplation of Nature uit 1764. Het rangschikken van alle dieren in één ketting bleek nog niet eenvoudig te zijn, wat soms leidde tot (naar hedendaagse maatstaven) vreemde schakels. Zo beschouwde hij bijvoorbeeld vleermuizen als schakel tussen vogels en zoogdieren. Walvissen zette hij zelfs op de enige zijtak aan zijn ketting (Bowler, 2003).

In de loop der tijd kwam er meer dynamiek in de statische kijk op de levende natuur. Bonnet zelf stond op latere leeftijd een beperkte mate van ontwikkeling toe in zijn ketting. Dat de ene soort na verloop van tijd over kon gaan in een andere (transmutatie) werd betoogd door twee grote namen: Erasmus Darwin (1713 – 1802, de grootvader van Charles Darwin) en Jean-Baptiste Lamarck (1714 – 1829). Lamarck ging uit van generatio spontanea (het spontaan ontstaan van leven) en postuleerde een inherent progressieve trend die het leven tot steeds hogere vormen van organisatie bracht, wat doet denken aan een getemporaliseerde (zich in de tijd ontwikkelende) Great Chain of Being, ofschoon hij enige vertakking toestond (Bowler, 2003). Als alle vormen zich steeds doorontwikkelen tot hogere vormen (en volgens Lamarck niet konden uitsterven), waarom zien we dan nog steeds lagere vormen? Lamarck beantwoordde deze vraag door te stellen dat leven steeds spontaan ontstaat. Doordat leven op verschillende momenten ontstaat, kunnen verschillende stadia in de ontwikkeling naast elkaar bestaan, zonder van elkaar af te stammen. In deze opvatting hebben mensen een ‘apenstadium’ gehad in hun ontwikkeling, maar zijn ze niet verwant aan de nu levende apen (Bowler, 2003).

In de loop van de negentiende eeuw begon het idee van een simpele Great Chain of Being steeds meer aan populariteit te verliezen. Dit kwam onder andere doordat er steeds meer fossielen werden gevonden die bewezen dat er soorten zijn geweest die aanzienlijk verschillen van de huidige soorten, wat moeilijk te rijmen is met het idee van één lineaire ordening van simpel naar complex. Dat neemt niet weg dat het idee van progressie naar de mens bleef bestaan. Deze opvatting paste goed in de zeitgeist van de Verlichting tot het eind van de negentiende eeuw, die gekenmerkt werd door een vooruitgangsgeloof. Op vergelijkbare wijze zag men ook in de embryonale ontwikkeling een dergelijk progressief plan, van ongewervelde via vis en reptiel tot zoogdier. Omdat progressieve ontwikkeling ook in het fossielenbestand te vinden is (simpel leven in oude lagen, complexe in jonge lagen), meende men dat de embryonale ontwikkeling (ontogenie) de evolutionaire ontwikkeling (fylogenie) herhaalt. Dit werd later bekend als de recapitulatietheorie.

Het idee van progressie bleef populair in de negentiende eeuw, zij het met een opmerkelijke dissident: Charles Lyell (1797 – 1875). Zijn werk over geologie (Principles of geology, 1830–33) was invloedrijk (o.a. op Charles Darwin), maar het idee van progressie naar de mens stuitte hem tegen de borst omdat hij wegens religieuze redenen niet wilde accepteren dat er een connectie bestaat tussen mens en dier. Het idee van progressie werd wel verdedigd door Robert Chambers (1802 – 1871) in zijn (anoniem verschenen) Vestiges of the Natural History of Creation uit 1844. Chambers ging uit van transmutatie volgens een goddelijk plan, maar dat mocht niet verhelpen dat zijn opvattingen gevoelig lagen bij de gevestigde Victoriaanse orde.

Een grote aanhanger van Darwin op het vaste land was de Duitser Ernst Haeckel (1834 – 1919). Heackel was een fervente progressionist en beeldde evolutie uit als een boom waarbij de stam direct leidt naar de mens aan de top (figuur hiernaast). Zijn recapitulatietheorie was hiermee volledig in overeenstemming: de ontogenie herhaalt de fylogenie in de progressieve ontwikkeling van ongewervelde naar uiteindelijk de mens. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Heackel meende dat er een link moest zijn geweest die de mens met de apen verbindt: Pithecanthropus alalus, aapmens zonder spraak.

Ofschoon Haeckel zich beschouwde als een aanhanger van Darwin, is zijn boom, die in wezen een lijn is met de mens aan top, verschillend van Darwins Tree of Life. Door de vele vertakkingen van de Tree of Life is er geen sprake van een bevoorrechte positie van de mens. Ook was het voor Darwin duidelijk dat hedendaagse dieren niet van elkaar afstamden, maar gemeenschappelijke voorouders hadden. Er is dus geen directe link tussen mensen en moderne apen (een aapmens).

Dit is een goede reden om de term aapmens niet te gebruiken, hoewel dit in de populaire media vaak gedaan wordt (maar in de serieuze literatuur vrijwel niet!). Het idee van een aapmens geeft sterk de indruk dat wij van moderne apen afstammen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat leken wel eens vragen: “als mensen van apen afstammen, waarom zijn er dan nog apen?”.

Hoe verhouden mensen zich dan wel tot apen? Vaak wordt hierover gezegd: “wij stammen niet van apen af, maar delen een gemeenschappelijke voorouder met ze”. Dit is echter maar ten dele juist. Het probleem zit in de betekenis van het woord “aap”. Volgens de Grote Van Dale is een aap een “vierhandig zoogdier van de onderorde Anthropoidea van de orde der primaten”. Wie naar de taxonomische indeling van de mens kijkt, zal erachter komen dat ook wij tot de onderorde Anthropoidea (tegenwoordig Haplorhini) behoren. Wij zijn dus ook apen!

Dit is niet alleen taalkundig juist, maar zeker ook volgens de moderne biologische classificatie. Daarin worden organismen gegroepeerd aan de hand van verwantschappen: alle dieren die van dezelfde gemeenschappelijke voorouder afstammen, behoren tot dezelfde taxonomische groep en verdienen dus ook dezelfde naam. Als hieraan voldaan is, wordt zo’n groep monofyletisch genoemd. De mens als enig dier uit de monofyletische groep van de apen plaatsen (waardoor en parafyletische groep ontstaat), is dan ook taxonomisch onjuist. Wij vormen met de andere apen een natuurlijke (monofyletische) groep en dienen dus ook als apen geclassificeerd te worden. We delen een gemeenschappelijke voorouder met andere apen, net als dat een forel een gemeenschappelijke voorouder deelt met andere vissen. Een andere reden dat de term aapmens laakbaar is, is dat het twee taxonomische niveaus combineert (orde met geslacht). Een aapmens is hierdoor vergelijkbaar (en net zo onzinnig) met een “visforel”.

(dit is het eerste deel uit een serie van twee. Deel twee verschijnt maandag)

tags: gastbijdrage

Posted by Gert in 12:40:13 | Permalink | Comments (28)

Thursday, October 23, 2008

Religie exploiteert zeer diverse cognitieve systemen in de hersenen

Religieuze concepten exploiteren menselijke gevoeligheden die hun basis hebben in de hersenen, net zoals muziek, kunst, voedsel, politiek en mode. Psychologen noemen dit ‘super stimuli‘. Dit is vergelijkbaar met de aantrekkingskracht van intense kleuren en perfecte symmetrie in de schilderkunst. Goden zijn sterk vereenvoudigde versies van afwezige menselijke individuen en religieuze rituelen zijn zeer abstracte vormen van voorzorgsmaatregelen. Bovendien maken religieuze gevoelens het makkelijker zich aan een groep te binden. De binding aan een religieuze groep houdt in dat men gelooft in bizarre onwaarschijnlijke geloofsinhouden.

Er is niet één uniek religieus centrum in de hersenen. Verschillende cognitieve systemen in de hersenen zijn verantwoordelijk voor bovennatuurlijke wezens, rituelen, commitment aan een groep, moraal, etc, net zoals kleur en vorm door verschillende subsystemen van het visuele systeem afgehandeld worden. De meeste moderne religies bieden een totaal pakket met rituelen, moraal, wereldbeeld, groeps identiteit. Dit is reclame om nieuwe klanten te verwerven. In de hersenen berusten al deze aspecten op verschillende modules. Uit wetenschappelijke onderzoek komt steeds duidelijker naar voren dat religieuze ideeën helemaal niet ontstaan door het ervaren van wonderen of bovennatuurlijke verschijnselen, maar door de manier waarop onze hersenen gewoonlijk informatie verwerken.

Deze inzichten zal het geloof van gelovigen niet ondermijnen. Sommige vormen van geloof zijn nu eenmaal het gevolg van de weg van de minste weerstand van onze cognitieve systemen. Atheïsme is het resultaat van bewuste inspanningen die tegen onze natuurlijke neigingen in gaan. Dat is niet erg aantrekkelijk voor de meeste mensen. Daardoor krijgt atheïsme maar moeilijk voet aan de grond.

Tot zover een samenvatting van het essay van Pascal Boyer in de Nature van vandaag. Als je dit leest lijkt het wel dat het onderdrukken van religieuze gevoelens net zo makkelijk is als stoppen met roken! Religie en roken zijn verslavend. Ikzelf heb nooit gerookt. Of geloofd.

Bron: Pascal Boyer: ‘Being human: Religion: Bound to believe?’, Essay, Nature, 23 Oct 2008. (Pascal Boyer is de auteur van ‘Religion Explained: Evolutionary Origins of Religious Thought’, 2001 ).
Het essay is hier gratis te lezen. (met dank aan Simon voor de tip!)

tags: religie, tijdschriften

Posted by Gert in 09:25:15 | Permalink | Comments (96)

Tuesday, October 21, 2008

Unfaire boekbespreking ‘Alex and Me’ in Nature

Afgelopen donderdag stond er een zeer unfaire boekbespreking van het nieuwe boek van Irene Pepperberg: ‘Alex & Me: How a Scientist and a Parrot Discovered a Hidden World of Animal Intelligence – and Formed a Deep Bond in the Process‘. Alex is de beroemd geworden grijze roodstart die vorig jaar overleed. Hij werd 31 jaar. Psychologe Irene Pepperberg heeft baanbrekend werk verricht over het taal- en abstractievermogen van de zeer getalenteerde Alex. Dit opende een geheel nieuwe serie van ontdekkingen over de intelligentie van de grijze roodstaart. Voordat zij haar studies begon was er voornamelijk onderzoek naar intelligentie bij apen gedaan. De uitzonderlijk intelligente vogel begreep vragen als ‘Hoeveel sleutels?’ (foto 1), ‘Welk materiaal is dit blok?” (foto 2), ‘Welke getal is grijs?’ (foto 3). In de bespreking in Nature komt Wynne met het tegenvoorbeeld uit de vorige eeuw van het slimme paard Hans dat kon tellen. Het paard bleek op subtiele -voor het publiek onzichtbare- mimiek van zijn baas te reageren in plaats van dat hij echt iets begreep. Wynne suggereert dat er iets soortgelijks met Alex aan de hand is omdat Pepperberg altijd aanwezig moet zijn bij de testen. De wetenschappelijke waarde van de experimenten zou gering zijn omdat ze niet reproduceerbaar zijn. Hij besluit echter met: Alex had misschien wel enig begrip van getal, vorm, kleur en materiaal. Alsof dat niet opzienbarend is! Bespreek dat dan uitgebreider om het onderzoek recht te doen.
Ik emailde met Pepperberg om te horen wat haar reactie was. Ze heeft een brief naar Nature gestuurd om de misvattingen van de reviewer te corrigeren. Ik hoop dat de brief gepubliceerd wordt. Ik mag de brief hier niet compleet citeren voordat Nature hem gepubliceerd heeft, maar ik noem enkele belangrijke punten. Pepperberg heeft zeker controles ingebouwd; antwoorden van Alex die onverstaanbaar waren zijn gewoon fout gerekend; Wynne kritiseert de wetenschappelijke waarde van Pepperberg’s onderzoek aan de hand van een populair-wetenschappelijk boek (Alex & Me), maar verzuimt de wetenschappelijke publicaties van Pepperberg te raadpleten. En dat is unfair. Bovendien is dit een grote blunder als het een bespreking is in een wetenschappelijke tijdschrift (Nature).

Waarom maak ik me hier zo druk om? Dit soort onderzoek helpt hopelijk een heel klein beetje om de mens van zijn torenhoge intellectuele voetstuk te stoten. Niet alleen mensapen, maar ook andere dieren zoals vogels hebben aanleg voor taal en abstracte begrippen te gebruiken. Dit noodzaakt ons dieren met heel andere ogen te zien en onze menselijke arrogantie -als zgn. kroon der schepping- enigszins te dimmen. Ook kan het onze eigen vermogens in een breder perspectief plaatsen en meer over ons zelf leren. En niet te vergeten: er heeft zich in de loop van die 30 jaar samenwerking een diepe band ontwikkeld tussen mens en dier (zie ondertitel: ‘and Formed a Deep Bond in the Process’ !). Tenslotte is er ook een laag bij de grondse praktische betekenis: deze intelligente vogels vervelen zich rot als ze 8 uur per dag in een kooi opgesloten zitten met maar één speelgoedje. Daar zijn ze té intelligent voor.

Summary: In this blog I argue that Clive Wynne’s critical review of Alex & Me in Nature is unfair and below scientific standards.

Bronnen:

  • Clive Wynne (2008) ‘Psychology’s pet subject’, Nature, 455, 864-865 (16 October 2008). Dit is de boekbespreking.
  • Irene Pepperberg (2008) ‘Alex & Me: How a Scientist and a Parrot Discovered a Hidden World of Animal Intelligence–and Formed a Deep Bond in the Process‘, Collins, 240 p. Dit is het boek dat besproken werd.
  • Irene Pepperberg (1999) The Alex Studies: Cognitive and Communicative Abilities of Grey Parrots., Harvard, hardback. een semi-populair wetenschappelijk verslag.
  • website The Alex Foundation.
  • homepage Irene Pepperberg
  • Als je Alex in actie wilt zien is hier een beroemd fragment uit een documentaire van Scientific American Frontiers uit 2001. Deze visuele ervaring kan geen enkel boek vervangen.
  • Een Nederlandse site over de grijze roodstaart als huisdier.

tags: tijdschriften, vogels, boeken

Posted by Gert in 10:41:08 | Permalink | Comments Off

Sunday, October 19, 2008

Spencer Wells in Naturalis

Gisteren hield de Amerikaanse geneticus Spencer Wells in museum Naturalis Leiden een lezing over zijn Genographic Project. De lezing vond plaats in het kader van de Oktober Kennismaand 2008. Spencer Wells schreef een aantal jaren geleden al een eerste verslag van het genographic project: The Journey of Man (nog niet vertaald voorzover ik weet). Tevens maakte prof Peter de Knijff de resultaten bekend van het onderzoek naar de verre voorouders van 200 Nederlandse scholieren. Ze hadden vrijwllig DNA afgestaan in het kader van het Genographic Project en Oktober Kennismaand. Het bleek dat de meerderheid van jagers-verzamelaars afkomstig is en de rest van boeren. Dit komt overeen met data van de rest van Nederland voor zover onderzocht. Van de Nederlandse bevolking is bekend dat 80% afkomstig is van jagers, 19% van boeren en 1% is recente immigratie. Het leuke van het Genographic Project dat je er zelf ook aan mee kunt doen (hier). Tot nu toe zijn er wereldwijd al 270.000 kits verkocht. Ik zat naast een meneer die als één van de eersten in Nederland er aan meegedaan had. Je kunt een testkit bestellen ($ 100, maar bezoekers kregen $ 10 korting) om wangslijmvlies bij je zelf af te nemen en op te sturen. Je krijgt en paar maand later een karakterisering van je eigen Y-chromosoom (mannen) of mitochondriaal DNA (vrouwen), waaruit je de geografische herkomst van je voorouders af kunt leiden. Bovendien een goede manier om op de hoogte te blijven van wetenschappelijke ontwikkelingen en je erin te verdiepen. Ik ga het ook doen. Ik houd U op de hoogte.
Tijdens de middag werd het boekje DNA etcetera. Alles over DNA uitgedeeld aan de bezoekers. Ik heb er in de trein al in zitten lezen. Je kunt er niet mee stoppen, zo goed geschreven en informatief is het. Ook als je al wat van DNA weet. Het gaat over alle aspecten van DNA die je maar kunt bedenken, het is up-to-date en is zeker niet ‘kinderachtig’. Geschreven voor de Nederlandse situatie en uitgegeven door het Nederlandse ‘Centre for Society and Genomics‘. Een geslaagd voorbeeld van wetenschapsvoorlichting. Hier kun je de pdf versie van het boekje downloaden.

Sahara (toegevoegd: maandag 20 okt 2008)
Een leuke wetenswaardigheid uit het verhaal van Wells: de Sahara is altijd een onoverbrugbare barriere voor menselijke migraties in Afrika geweest. Maar wat ik niet wist is dat de Sahara groene perioden heeft gekend (Green Sahara). Die groene Sahara periodes waren 50.000 en 30.000 jaar geleden. Er zou verband kunnen zijn met de Milankovitch cyclus (zie wiki). Gedurende de groene periodes was er wel migratie mogelijk. Zo werd de out-of-Africa migratie mogelijk. Voor Wells is het klimaat zeer belangrijk voor menselijke migratie in the algemeen :

Climate change is the primary determinant of ancient migration“.

De Milankovitch cyclus wordt normaal in verband gebracht met de ijstijden. Wells legt dus ook het verband met de groene Sahara. Dat vind je ook terug in dit zeer leesbare artikel: ‘Exit from Eden – how the Sahara became a desert‘.

Literatuur:
Doron M. Behar et al (2007) The Genographic Project Public Participation Mitochondrial DNA Database, Plos Genetics June 29, 2007. Open access. (rapporteert over de eerste 18 maanden van het project met 87.000 deelnemers).
Volkskrant: Nederlander stamt af van steentijd-jager maandag 20 okt 2008

tags: lezingen,boeken

Posted by Gert in 09:24:52 | Permalink | Comments (3)

Wednesday, October 15, 2008

Klimaat, veeteelt, en levensbeschouwing

De belangrijkste claim van de film/dvd ‘Meat the Truth‘ is de verrassende relatie tussen klimaat en veeteelt. De veehouderij (koeien, kippen, varkens) neemt 18% van alle broeikasgassen voor haar rekening. Voor mij was dat nieuw. Eerlijk gezegd ligt dat ook niet zo voor de hand. Al Gore had het in zijn Inconvenient Truth helemáál niet over de veehouderij.

De film wordt gepresenteerd door Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. Nu heb ik het het verleden (o.a. 11 april 2007) op dit blog stevige kritiek gehad op Thieme, maar dat had niet met de PvD op zich te maken, maar met haar keuze voor een kerk die evolutie verwerpt. Dat persoonlijke geloof van Thieme komt in ‘t geheel niet aan bod in deze film. Met haar strijd voor betere behandeling van dieren ben ik het van harte eens. Ik kan zonder aarzeling de dvd aanbevelen aan iedereen die wil weten hoe het zit met de relatie klimaat – voedsel – energie.

Feiten
Maar al te vaak worden de broeikasgasemissies vergeten die het gevolg zijn van de massale import van veevoer door Nederlandse veehouders en de daarmee samenhangende kap van het tropisch regenwoud. Daardoor krijg je een veel te laag percentage bij het berekenen van het effect van de veeteelt op het klimaat. Deze berekeningen heeft Thieme niet zelf gedaan, maar staan in een rapport van de wereld voedsel organisatie, FAO (Food and Agriculture Organization). Volgens Henning Steinfeld van de FAO (die in de film geinterviewed wordt door Thieme) is de veeteeltsector met die 18% een grotere producent van broeikasgassen dan de hele transport sector. Al Gore heeft terecht de Nobelprijs gekregen omdat hij de klimaatproblematiek op de wereldkaart heeft gezet, -en dat erkent Thieme ook- maar die 18% is zeker een heel belangrijke correctie op zijn film. Voortschrijdend inzicht heet dat tegenwoordig. Productie en transport (fossiele brandstoffen) van kunstmest, veevoeder (soja) zijn erg milieubelastend, koeien produceren het broeikasgas methaan, productie van dierlijk eiwit is inefficiënt in vergelijking met plantaardig eiwit. Het kost ook 16x zoveel landoppervlak.

Dertig procent van het totale aardoppervlak wordt in beslag genomen door de voederproductie en veeteelt. Veeteelt brengt niet alleen schade aan het klimaat, het veroorzaakt ook degradatie (overbegrazing, erosie) van het aardoppervlak. Indirect brengt het zelfs schade aan mariene ecosystemen in China.

Maatregelen
Interessant is om naast elkaar te leggen wat Thieme en de FAO als oplossing presenteren. De FAO spreekt over reguleren van de veeteeltsector, Thieme spreekt over minder vlees eten. De FAO spreekt o.a. over technieken om de methaanproductie van vee te verminderen en de veehouderij in een meer duurzame richting te sturen.
Thieme laat de effecten van minder vlees eten uitrekenen door wetenschappers. Als iedereen één dag per week geen vlees eet heeft dat al een significant effect.



Levensbeschouwing

Thieme benadrukt niet dat levensbeschouwing een belangrijke rol speelt in de hele kwestie. Maar het primaire argument tegen dieren eten is een levensbeschouwelijk argument. Stel dat dan ook duidelijk vast. We merken daar uitsluitend indirect iets van in de slotzin in de film: “als U het klimaat gestolen kan worden, doe het dan voor de dieren”. Thieme is het eens met wetenschappers zoals Steinfeld dat er iets gedaan moet worden aan de schadelijke effecten van de wereldwijde veeteelt, maar oneens over welke maatregelen er genomen moeten worden. Voor een vegetariër is het klimaat een extra argument tegen vleeseten en zij kiest dan ook voor minder of helemaal geen dieren eten. Die keuze kun je verwachten van de Partij voor de Dieren. Maar Steinfeld kan als wetenschapper alleen maar uitrekenen wat de effecten zijn van minder vlees eten, en voorspellingen doen over vleesconsumptie in de toekomst, maar aanbevelingen om minder vlees te eten heb ik hem niet zien doen. Toch wordt die suggestie in de film gewekt. Thieme zegt dat alleen al het weten van de feiten voldoende is. Het kan veel effect hebben, maar lijkt mij niet voldoende. Als je geen bezwaar hebt tegen dieren eten, tegen verlies van regenwoud en biodiversiteit, tegen klimaatopwarming, etc dan zul je hoogstens wat technische maatregelen accepteren.

Vragen
Vragen die blijven liggen zijn: welke maatregelen hebben het meeste effect? Kun je de veeteelt industrie überhaupt wel minder schadelijk maken? Is Thieme tegen het minder schadelijk maken van de veeteeltsector (zodat de sector blijft bestaan)? Hoe zit het met de biologische veeteelt? Mag je biologisch vlees eten? Is dit nu een klimaatfilm, een pro-vegetarisme film, een promotiefilm van de Partij voor de Dieren of een film om Marianne Thieme in de schijnwerpers te zetten? Technische vraag: wordt de CO2 uitstoot van de transport sector niet dubbel gerekend: éénmaal bij de veeteeltsector en éénmaal bij de transport sector?

bronnen:
Meat The Truth website (de dvd duurt 1:16 en is op de website te bestellen. Het heeft lang geduurd voordat hij beschikbaar was! De film wordt opgeleukt met tekenfilmpjes. Afgezien daarvan lijkt het een An Inconvenient Truth – Part 2: duidelijk geïnspireerd door Al Gore).
Livestock a major threat to environment (persbericht over het FAO rapport met o.a. maatregelen om de veeteelt minder schadelijk te maken voor milieu en klimaat).
Interview met VU-biochemicus Harry Aiking (Instituut voor Milieuvraagstukken, VU. Wordt geinterviewd in de film)
Nicolaas G. Pierson Foundation is producent van de film en is het wetenschappelijk bureau van de Partij voor de Dieren (is moeilijk te vinden op de site van de Partij voor de Dieren).

tags: politiek,klimaat, milieu, dvd

Posted by Gert in 11:24:55 | Permalink | Comments (6)

Saturday, October 11, 2008

Suikerpalm: nieuw project van Willie Smits

Op 8 juni dit jaar blogde ik over Willie Smits, de orangutan beschermer in Indonesië. Vandaag staat er een interview in de Volkskrant Kennis bijlage. Smits is een nieuw project gestart om zowel de plaatselijke arme bevolking te helpen en op een milieuvriendelijke en klimaatvriendelijke manier biobrandstof te produceren. Met de suikerpalm. In mijn vorige blog schreef ik over de palmoliemaffia: dat is hoe je niet biobrandstof moet produceren. Het suikerpalmproject voldoet aan de eisen die milieuminister Cramer gesteld heeft aan biobrandstof (waterverbruik, waarborg biodiversiteit, voordelig voor lokale bevolking, niet ten koste landbouwgrond, minder CO2 uitstoot). De man is ontzettend creatief in het bedenken van oplossingen, iemand die rekening houdt met duizend en één dingen. Een man van practische oplossingen. Dit soort mensen hebben we nodig. Erg stimulerend om te lezen. Lees het interview in de Volkskrant of zijn eigen verhaal over het project op hives.
Posted by Gert in 13:00:49 | Permalink | Comments (3)

Een zeer succesvolle vader


Een zeer succesvole vader. Duidelijk zijn de geel-oranje snavel en rand om het oog te zien. Hij kan terugzien op een zeer succesvol broedseizoen: 3 nesten groot gebracht. Allemaal in onze tuin. In de klimop, in de druiven, en in de vuurdoorn. De jongen van het eerste nest hebben het waarschijnlijk niet overleefd. Het nest is waarschijnlijk ontdekt door een ekster voordat de jongen uitgevlogen waren. De andere twee hebben zeker 2-3 jongen opgeleverd.

De vader was zeer fanatiek in het voeren. De jongen hebben zo’n typisch ‘onnozele’ houding: de appel ligt voor hun neus, maar hij wil het in de bek gestopt hebben.

De moeder was veel schuwer en ze liet zich niet zo vaak zien. Misschien vond ze dat ze al voldoende bijdrage aan de volgende generatie had geleverd door het leggen en bebroeden van de eieren. En dat is zeker een zware klus.

Als ik er niet in sta, is het een waardeloos boek!

Ik ontdekte dat het mannetje in de tijd dat hij jongen had gek was op rozijnen. Op een gegeven moment kwam hij ze zelfs van tafel halen terwijl je er naast zat op een afstand van minder dan een meter. Toch was hij steeds zeer op zijn hoede, en nam de rozijnen, liefst 4 tegelijk in zijn snavel proppend, mee om zijn jongen te voeren. In de tijd dat zijn jongen het hongerigst waren at hijzelf geen enkel rozijn. Alles was voor de jongen. Wat een zelfbeheersing. Wat een altruisme! Daar heb ik grote bewondering voor. Het merkwaardige was dat zijn karakter veranderde toen de jongen zelfstandig waren. Hij kwam niet meer en het leek ook wel of hij zijn dapperheid en interesse verloren had. Hoe dan ook: een zeer succesvolle vader met -waarschijnlijk- zeer succesvolle kinderen. Een prachtig beest! Het ga je goed, ik hoop je volgend voorjaar weer te zien!

(de foto’s zijn met eenvoudige digitale camera gemaakt, een spiegelreflex met telelens is hier niet voor vereist.)
Op 30 april postte ik een foto van één van de jongen.

tags: galerie,vogels

Posted by Gert in 09:25:13 | Permalink | Comments (4)

Monday, October 6, 2008

De grootste tekortkoming van de Christelijke moraal

De grootste tekortkoming van de Christelijke moraal is het ontbreken van geboden die met de liefde voor de natuur en de zorg voor het leefklimaat op aarde te maken hebben. Kijk de Tien Geboden er maar op na. Volgens wiki kunnen de Tien Geboden ingedeeld worden in: 1 + 3 + 3 + 3: één afgezonderd (heilig) gebod, drie met betrekking tot de relatie tussen mens en God, drie met betrekking tot de verhouding tot de naaste en drie met betrekking tot het innerlijk van de mens. Wat valt hier op? Precies: de natuur, de leefbaarheid van de aarde ontbreekt! De Barmhartige Samaritaan is het model bij uitstek waar christenen aan denken als het om naastenliefde gaat. Moeder Teresa is de personificatie van naastenliefde. Christenen denken, geloven, voelen en weten dat met naastenliefde alles gezegd is wat er überhaupt over christelijke moraal en over moraal in het algemeen te zeggen valt. Ik denk dat met deze constatering ontzettend veel te verklaren is over hoe christenen, en vooral christelijke politici, over milieuzaken denken. Naastenliefde is het belangrijkste, het milieu is een hobby van GroenLinks. Ja, als christelijke (of religieuze) politici aan de macht zijn in deze wereld, is het dan verbazingwekkend dat het slecht gaat met het milieu?

Maar, afgezien van gereformeerden die aan het ruzieën zijn over dooprituelen, hebben vooruitstrevende christenen de Tien Geboden in de praktijk al lang niet aangevuld met zorg voor ons leefmilieu? (Het elfde gebod? Het Derde Testament?). Dat is mogelijk. Ik weet het niet. Ik zou graag bewijzen willen zien. Als het zo is, dan is het mooi. Het toont ondertussen aan dat de Tien Geboden tekort schieten. Wat compleet is hoeft niet aangevuld te worden. En als ze al aangevuld worden, worden ze dan even serieus genomen als de andere door God gegeven geboden? Het Elfde Gebod is immers niet van God afkomstig. Dat lijkt me een groot probleem dat opgelost moet worden.

De aanleiding van deze blog was een groot review artikel in de Science van afgelopen vrijdag, 3 Oct, waarin godsdienstpsycholoog Ara Norenzayan de hypothese onderzoekt of religie sociaal gedrag bevordert bij hun aanhangers. Het is een uitstekend en zeer leesbaar geschreven overzicht over al het tot nu toe gedane onderzoek over de relatie religie / altruisme. Zeker de moeite waard om apart over te bloggen. Maar ik wil niet afdwalen. Ze noemen het gedrag dat ze associeren met godsdienst ‘prosociaal’ gedrag (Prosociality), wat ik met altruisme vertaal, omdat ze het definieren als gedrag dat anderen ten goede komt en jezelf benadeelt. Hoe wordt de stelling of religieuze types altruistischer zijn dan niet-religieuzen getest? Precies: met De Barmhartige Samaritaan Test! Ze merken op dat alle religieuze teksten naastenliefde aanbevelen bij hun volgelingen. Dat moet je dus testen. Welke experimeten hebben ze gedaan? Wetenschappers hadden een acteur ingehuurd die ze kreunend langs de kant van de weg lieten liggen, waar ze proefpersonen met een smoesje langs gestuurd hadden. Andere experimenten zijn in dezelfde trant (liefdadigheid). Ze kwamen niet op het idee om proefpersoenen te confronteren met een aangereden ree of illegaal gestort vuil. Zoiets staat toch niet in de Bijbel?

Conclusie: zelfs in wetenschappelijk onderzoek naar altruistisch gedrag onder religieuzen wordt altuisme als synoniem opgevat met gedrag gericht op andere mensen! Dat zegt veel. De natuur komt er niet aan te pas. Zo diepgaand wordt (christelijke) moraal geidentificeerd met gedrag ten aanzien van andere mensen. En dat is een groot probleem in een tijd waarin de leefbaarheid van de aarde wordt aangetast op een schaal die nooit eerder is voorgekomen in de gescheidenis van de mensheid.

Literatuur
Ara Norenzayan, Azim F. Shariff ‘The Origin and Evolution of Religious Prosociality’, Science 3 October 2008, Vol. 322. no. 5898, pp. 58 – 62. (abstract)

tags: tijdschriften, religie

Posted by Gert in 11:00:00 | Permalink | Comments (64)

Thursday, October 2, 2008

Oogpigmenten belangrijke factor in evolutie van cichliden



Een internationaal onderzoeksteam, waaronder de Nederlandse biologen Inke van der Sluijs (foto) en Martine E. Maan van de Leidse universiteit, hebben ontdekt dat oogpigmenten een belangrijke rol spelen
in de evolutie van cichliden. Dit hebben zij vandaag in het gezaghebbende blad Nature gepubliceerd. Gefeliticeerd Martine en Inke met deze belangrijke mijlpaal!

De cichliden zijn beroemd geworden door het boek Darwins hofvijver van Tijs Goldschmidt. Ze zijn beroemd omdat ze hét voorbeeld zijn van snelle evolutie. In het Lake Victoria (Afrika) zijn in korte tijd (zo’n 13.00 jaar) 500 – 1000 soorten ontstaan. De mannetjes hebben opvallende blauwe of rode kleuren (zie foto), de vrouwtjes hebben onopvallende kleuren. Evolutiebiologen verklaren de snelle evolutie door sexuele selectie. Vrouwtjes hebben voorkeur voor mannetjes met een rode òf blauwe kleur. Het vermogen om die kleuren te zien wordt beïnvloed door de diepte in het water waarin de cichliden bij voorkeur leven. In sommige populaties hebben vrouwtjes met blauw-gevoelige oogpigmenten een voorkeur voor blauwe mannetjes en vrouwtjes met rood-gevoelige pigmenten hebben een voorkeur voor rode mannetjes. Dit is de eerste stap op weg naar nieuwe soorten: een blauwe en een rode soort.

©Nature
De onderzoekers hebben ontdekt dat vissen met verhoogde roodgevoeligheid in water van meer dan 3 meter diep leven en de blauw-gevoelige individuen in water van minder dan 3 meter. Dit heeft te maken met de selectieve absorptie van licht in water en wordt bepaald door de diepte en eigenschappen zoals helder of troebel water. Het bijzondere van de situatie is dat de cichliden voorkeur hebben voor water met een bepaalde diepte, waardoor een ruimtelijke scheiding ontstaat. Tel daar bij op de verschillende voorkeuren van vrowtjes (sexuele selectie) en je hebt ideale omstandigheden voor het ontstaan van twee soorten. De auteurs van het artikel claimen sympatrische soortvorming. Dat is soortvorming waarbij individuen van twee populaties elkaar wel tegen kunnen komen, maar de kans daarop is kleiner omdat ze binnen hun verspreidingsgebied lokale ruimtelijke voorkeuren hebben. Sympatrische soortvorming is controversieel omdat er geen absolute ruimtelijke scheiding is waardoor ze onderling kunnen kruisen. De onderzoekers maken sympatrische soortvorming nu waarschijnlijker omdat ze erfelijke varianten van kleurgevoeligheid van oogpigmenten toevoegen aan het hele verhaal.

Literatuur:
- Ole Seehausen et al (2008) ‘Speciation through sensory drive in cichlid fish’, Nature, 2 Oct 2008
- Editor’s Summary: ‘Speciation in colour: a textbook example of evolution in action‘ is gratis toegankelijk.
- Mark Ridley (2004) Evolution, third edition (is voorbeeld van een textbook dat aandacht besteedt aan cichliden. Hij heeft zelfs een kleurenplaat met de rode en blauwe soort, p.70-71. Hij kan nu de nieuwe editie updaten!).
-Tijs Goldschmidt (2004) ‘Darwins hofvijver. Een drama in het Victoriameer‘. (oorspr.: ‘Darwin’s Dreampond. Drama in Lake Victoria‘, 1996). Goldschmidt heeft de cichlides van het Victoria meer beroemd gemaakt bij het grote publiek èn de wetenschappelijke wereld.
-Menno Schilthuizen (2002) ‘Het mysterie der Mysterieën. Over evolutie en soortvorming’, Uitgeverij Nieuwerzijds. (een makkelijk leesbaar verslag over sympatrische en allopatrische soortvorming)
-wiki artikel over cichliden. (cichliden worden ook in aquaria gehouden).
-NB: de tilapia waarin ik eerder over blogde is ook een cichlide soort.

tags: tijdschriften

Posted by Gert in 11:16:01 | Permalink | Comments (16)