Wednesday, January 30, 2008

Amnesty veroordeelt Nobelprijs Al Gore

De hoofdredacteur van het blad 'Wordt Vervolgd' van Amnesty International Nederland heeft de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Al Gore 'een treurige vertoning' genoemd:
"Het wordt een treurige vertoning in Oslo dit jaar. Het vijfkoppige Noorse Nobelcomité heeft in al haar wijsheid besloten geen vredesiniatief of -voorvechter te belonen. Als reden wordt opgegeven dat men wil 'helpen de aandacht te vestigen op de dreiging die de klimaatverandering vormt voor de wereld'. Je kunt van Al Gore veel zeggen, hij staat niet bekend als een man die ijvert voor democratie, mensenrechten, vrede, verzoening en rechtvaardigheid." (1)
Dit is een aanval op Al Gore, het IPCC én het Nobelcomité. Mijn hoofdbezwaar is dat de hoofdredacteur Rupert Parker Brady zich onnodig tegen Al Gore uitspreekt. Om te beginnen laat hij zich totaal niet uit over of hij het ideaal van Al Gore steunt of niet. Ontkent hij het klimaatprobleem? Vindt hij dat het niet urgent is? Of dat het vanzelf over gaat? Een klimaatopwarming beinvloedt niet alleen ieder mens maar ieder levend wezen op onze planeet. Het is niet een technisch probleem. Al Gore heeft in zijn film An Unconvenient Truth (3) het klimaatprobleem een moreel probleem genoemd. Snapt Brady dit niet? Heeft hij niet geprobeerd te begrijpen waarom het Nobelcomité het klimaatprobleem een probleem voor vrede vond?

De tweede fout die Brady maakt is dat hij Al Gore beoordeelt met ogenschijnlijk andere maatstaven dan het Nobelcomité. Maatstaven die hij zelf belangrijk(er) vindt: democratie, mensenrechten, vrede, verzoening en rechtvaardigheid. Hij noemt een aantal personen die volgens zijn maatstaf méér recht hadden op de Nobelprijs voor de vrede. Maar je kunt iedereen die vecht voor een ideaal veroordelen omdat hij andere idealen verwaarloost. Dat werkt altijd. Een mens is nu eenmaal niet bij machte om te vechten voor tientallen idealen. Je kiest een ideaal die je persoonlijk belangrijk vindt. En daar zet je je voor in.

De derde fout die Brady maakt is dat hij doet voorkomen dat er een gedwongen keuze is tussen Al Gore en de 'echte' vechters voor de vrede, want hij schrijft: "Ook hij verdient veel meer de Nobelprijs voor de Vrede dan Al Gore". Maar er wordt ieder jaar een Nobelprijs voor de vrede uitgereikt, dus waar zit de noodzaak om Al Gore te veroordelen? Brady had ook kunnen zeggen: Al Gore is prima, maar ik hoop dat iemand van mijn lijstje volgend jaar aan de beurt komt. Je kunt het één aanprijzen, zonder het ander aan te vallen! Vindt Brady dat de Nobelprijs voor de vrede niet geschikt is voor het klimaatprobleem? Dus, als er geen beter passende categorie is, pech gehad en dan maar geen prijs voor Al Gore? Er was kennelijk geen andere categorie waarin de leefbaarheid van de aarde op lange termijn paste. Men had indertijd -toen het regelement werd vastgelegd- niet voorzien dat de mensheid in staat was het leef-klimaat van de aarde zodanig te beinvloeden dat er een reëel gevaar zou kunnen ontstaan voor het voortbestaan van de mensheid.
En dan wil ik nog wijzen op de neerbuigende, beledigende toon waarop Brady spreekt over het Nobelcomité: "heeft in al haar wijsheid besloten". Had hij dat ook gezegd als datzelfde comité één van zijn helden had gekozen?

Tenslotte: ik denk dat het wel degelijk mogelijk is om idealen van zeer verschillende aard, met elkaar te vergelijken als je naar de gevolgen kijkt. Mensenrechten beschermen is een goed ideaal, maar heeft impact op minder mensen dan de impact die klimaatopwarming heeft, nl. op de gehele wereldbevolking en zelfs al het leven op aarde. En ook nog eens op een onomkeerbare manier. Deze overweging is echter van aanvullende aard, en ik laat daar niet mijn hoofdargumenten tegen Brady van af hangen.

Een andere overweging van aanvullende aard is dat klimaatopwarming vrijwel zeker een politieke déstabilisatie op mondiaal niveau teweeg zal brengen, als er niet ingegrepen wordt en als je alleen let op de gevolgen voor de mens. In bepaalde werelddelen zal het droger worden (mislukken van oogsten), in andere delen natter (overstromingen), de voedselproductie zal negatief beïnvloed worden (ondervoeding, honger, sterfte), het rijke Westen (vooral Amerika) zal egoïstische keuzes maken zoals altijd, besmettelijke (tropische) ziektes zullen nieuwe kansen krijgen (epidemieën), lokale hongersnoden met gevolg massale bevolkingsmigraties (klimaatvluchtelingen), politieke conflicten en tenslotte oorlog. Dit zijn ook overwegingen waar mijn hoofdargument niet van afhangt, maar die anderen wel degelijk onderbouwd hebben (2).

Ondanks het feit dat klimaat en idealen zoals vrede, democratie en mensenrechten niet strijdig zijn, maar zelfs grotendeels in elkaars verlengde liggen, heeft Amnesty zich tegen Al Gore uitgesproken. Ik wil niet een club steunen die tegen het ideaal van Al Gore, het IPCC én het Nobelcomité is. Omdat Al Gore's ideaal mijn ideaal is. Dus stop ik mijn donatie's aan A.I.

Noten
  1. Rupert Parker Brady (2007) 'Een ongemakkelijke waarheid', Wordt Vervolgd, dec 2007/jan 2008
  2. InfoNu.nl. "In de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede heeft de laatste jaren een verschuiving plaatsgevonden c.q. gaat men uit van een bredere kijk op vrede. Het Noorse comité kent de prijzen vaker toe aan publieke personen en instanties die zich inzetten en bekommeren om een mentaliteitsverandering. Voor 2000 werden prijzen vooral aan de meer klassieke politici toegekend."
  3. http://www.inconvenienttruth.nl/, in het Nederlands: 'Een ongemakkelijke waarheid' (boek en DVD)"

Posted by Gert Korthof at 15:15:15 | Permanent Link | Comments (29) |

Friday, January 25, 2008

Fouten in het boek van Pim van Lommel (5)

In deze laatste blog over het boek Eindeloos bewustzijn van Pim van Lommel aandacht voor filosofie, theologie, de metaforen. Tenslotte probeer ik de balans op te maken.

Filosofie

Vindt van Lommel steun in de filosofie voor zijn opvattingen over hersenen en bewustzijn? Een lastige vraag. Ik ben te rade te gaan bij het boek van Chris Buskes Evolutionair denken (hoofdstuk 8 'Evolutie en Bewustzijn') dat ik op 11 nov 2007 op dit blog kort besprak. De steun die van Lommel zou kunnen vinden in de filosofie is dat 'sommige filosofen menen dat het mystierie van het bewustzijn nooit zal worden opgelost.' Maar dat is niet voldoende. Ik typeer Van Lommels filosofische positie -er bestaat een bewustzijn onafhankelijk van de hersenen- als dualisme. En deze dualistische positie vindt zeker geen steun in de moderne filosofie. Buskes beschrijft drie hoofdstromingen: monisme, fysicalisme, en functionalisme. Alledrie verwerpen ze het dualisme van Descartes. Een aparte positie neemt Thomas Nagel in. Hij onderscheidt twee aspecten van de werkelijkheid: het fysische en het mentale. Deze twee aspecten zijn niet tot elkaar te herleiden. Alleen een revolutie in de wetenschap zal de kloof tussen brein en bewustzijn kunnen dichten. Dit zal van Lommel als muziek in de oren klinken, maar hij kent Nagel niet. Zijn poging tot vinden van steun zal mislukken want Nagel is geen cartesiaans dualist (p.201). De filosoof Churchland is van mening dat Nagel mystificeert. Het eerste-persoons perspectief van het bewustzijn is weliswaar uniek, we hebben een bevoorrechte toegang tot ons eigen bewustzijn, maar dat wil niet zeggen dat het bewustzijn iets niet-fysisch is. Buskes eindigt met de conclusie dat het subjectieve, 1e-persoonsbewustzijn zich principieel aan fysicalistische verklaring lijkt te onttrekken (contra optimistische Churchland). Van Lommel doet echter iets tegenstrijdigs: enerzijds accepteert hij impliciet dat de hersenen bewustzijn veroorzaken (zie: DMT en zink!), anderzijds zegt hij expliciet dat er ook bewustzijn is wanneer de hersenen totaal stilliggen. Dat is zoiets als zeggen dat een auto soms ook zonder brandstof kan rijden. De benzinewijzer op het dashbord staat op nul, maar is er ook werkelijk geen druppel benzine meer aanwezig? Buskes schrijft niets over BDE. Merkwaardigerwijs schrijft Buskes ook niets over de filosoof David Chalmers, waar Van Lommel zich vrijwel exclusief op baseert. Heeft Chalmers een minderheidsstandpunt in de filosofie? Aangezien bewustzijn één van de grote onopgeloste problemen in de wetenschap en filosofie is en er geen overeenstemming lijkt te bestaan over de oplossing, is het geen wonder dat van Lommel niet-materialistische opvattingen weet te vinden in de literatuur ter ondersteuning van zijn eigen denkbeelden (1). Ik hoor graag van iemand die Chalmers gelezen heeft of Chalmers' positie compatibel is met die van Lommel.

Van Lommel's metaforen: radio, TV, computer, telefoon

Van Lommel gebruikt herhaaldelijk metaforen zoals telefoon, radio, TV en computer om de functie van de hersenen te verklaren.
"Ons brein zou vergeleken kunnen worden met een televisietoestel dat informatie uit elektromagnetische velden ontvangt en 'decodeert' tot beeld en geluid. En onze hersenen zouden ook vergeleken kunnen worden met een televisiecamera, die beeld en geluid omzet of 'decodeert' in elektromagnetische golven. (...) In deze visie kan de functie van de hersenen dus worden beschouwd als een zend-ontvanger en heeft ons brein dus geen producerende, maar faciliterende fucntie voor het bewustzijn" (p.245-246)
Dat is nogal een groot verschil: een TV of een TV-camera, maar voor Van Lommel zijn ze tegelijk geschikt als metafoor voor onze hersenen. Wij zijn ons die alomtegenwoordige informatie pas bewust als we het apparaat aanzetten, schrijft hij. De stem die we horen zit niet in de telefoon. Wanneer men de TV uitzet, ziet men niets meer, maar de uitzending gaat gewoon door. "De computer produceert geen internet, net zomin als de hersenen bewustzijn produceren." (p.248).
Maar ik wil weten of de TV-metafoor en welke aspecten daarvan nu wel of niet geschikt zijn als metafoor. Van Lommel goochelt met allerlei technische metaforen van totaal verschillende apparaten, kiest er willekeurige aspecten uit, en negeert andere aspecten, maar vergeet vooral ons te vertellen waarom dit allemaal juiste metaforen zouden zijn voor de hersenen. Met name het aspect van aan- en uitzetten. Mag ik een TV die uitstaat nu wel of niet vergelijken met hersenen die 'uit staan'? Al zou hij alleen maar zeggen dat hij het energie aspect - een apparaat verbruikt stroom- buiten beschouwing laat. Een TV die uit staat ontvangt niets, ondanks dat de uitzending door gaat. Dus de TV-metafoor ondermijnt Van Lommels standpunt. Of mogen we dat aspect niet meenemen? Als de metafoor zou kloppen zou de uitstaande TV een verruimd aantal TV-kanalen ontvangen. "Wanneer men de computer uitschakelt, heeft men geen toegang meer tot al die miljard websites. De websites zijn echter nog steeds overal en wereldwijd bijna gelijktijdig te ontvangen..."(p.248). Dus, als we de hersenen uitschakelen heeft men géén toegang meer tot al die miljarden bewustzijnsinhouden? Die websites zijn uitsluitend wereldwijd te ontvangen door PC's die aanstaan! En die websites worden gemaakt op computers die aanstaan en worden opgeslagen op servers die aanstaan. Als dat aspect van de metafoor op zou gaan, zouden uitstaande PC's een verruimd internet aanbod ontvangen! Dat zou fantastisch zijn!
Voortbordurend zegt hij 'Het bewustzijn is altijd aanwezig'. Maar die uitspraak is net zo goed een category mistake als de vraag 'Waar is het beeld als de TV uitstaat?'.
En wat moeten we met de kreet 'faciliterend'? Faciliterend betekent toch gewoon dat de hersenen nodig zijn voor het bewustzijn? Als de hersenen platliggen kunnen ze toch ook niet faciliterend bezig zijn! Van Lommel's gebruik van metaforen en begrippen is zo selectief en zo vaag dat je er alles mee kan aantonen wat je maar wil. En dus zijn ze wetenschappelijk en filosofisch waardeloos.

wetenschapsfilosofie
"Regelmatig wordt mij de vraag gesteld waarom er zoveel weerstand in de wetenschappelijke en medische wereld is tegen onderzoek naar oorzaak en inhoud van een BDE." (p.324)
Het antwoord van Van Lommel: dat komt door hun eigen materialistische ideeën over leven en dood. Vervolgens komt van Lommel met enquêtes die aantonen dat 76% van de Amerikaanse artsen in God gelooft, 39% van de wetenschappers en maar 7% van de topwetenschappers zichzelf religieus noemt. Hij concludeert dat het logisch is dat er nauwelijks over BDE gepubliceerd kan worden omdat de redacties van de tijdschriften atheïstisch zijn. Bovendien zijn ze conservatief; ze hebben moeite met 'baanbrekende inzichten' over hersenen en bewustzijn. Overmijdelijk wordt Thomas Kuhn aangehaald (p.244) om te betogen dat wetenschappers conservatief zijn en abnormale bevindingen als anomalieën afdoen en in de koelkast opbergen. Die baanbrekende inzichten (verruimd bewustzijn) zijn van hemzelf afkomstig. PvL ziet zichzelf als slachtoffer van atheïstische, materialistische en conservatieve wetenschappers.
Mijn reactie:
1) Het mes snijdt aan twee kanten: Is Van Lommels onderzoek door de Lancet gepubliceerd omdat de redactie pro-religie is of vanwege objectieve kwaliteit van het onderzoek?
2) Van Lommel vergeet het speciale en moeilijke karakter van BDE onderzoek: voor de helft natuurwetenschappelijk (fysiologische omstandigheden) en voor de helft interviews, met alle moeilijkheden vandien. Er is daarom een goede reden voor de weerstand tegen BDE-onderzoek: het is nl. een experimenteel erg moeilijk toegankelijk onderzoeksgebied (in tegenstelling tot bv geheugenonderzoek, waar sucessen geboekt zijn).
3) Steeds is BDE een niet bedoeld effect van medisch handelen. Dat maakt het niet geschikt voor Nature en Science.
4) de werkwijze van Van Lommel is het negeren van grote delen mainstreamwetenschap, het onkritisch accepteren van perifere wetenschap, en het niet beantwoorden van wetenschappelijke kritiek.
5) Van Lommel heeft géén 'baanbrekende nieuwe ideeën' want zoals hij zelf schrijft in hoofdstuk 15: 'Er is niets nieuws onder de zon' (BDE is zo oud als de mensheid!).

Theologie

Vraagt U zich af wat BDE met theologie te maken heeft? Toen ik met het boek begon had ik nooit gedacht dat BDE zoveel met theologie en religie te maken had. Je verwacht het niet van een cardioloog die in The Lancet heeft gepubliceerd. Je hoeft helemaal geen associaties met Ten Have te leggen ('guilt by association'!). In hoofdstuk 15 wordt rechtstreeks een verband gelegd van BDE met de bijbel onder het motto 'Er is niets nieuws onder de zon'. Citaat: "In de christelijke traditie is een bepaalde vorm van voortbestaan na de lichamelijke dood een algemeen aanvaard principe. (...) In het OT en NT staan vele verwijzingen naar een onsterfelijk ziel en een stoffelijk, sterfelijk lichaam. (Prediker 12:6; Prediker 3:15; 2 Korintiërs 5; en 12, Matteüs 11:14)." (p.313-316). Ik zou graag van theologen en bijbelkenners willen horen of (1) de bijbel leven na de dood leert en (2) of de christelijke traditie dit accepteert. Hoe dan ook: bewijzen voor de waarheid van een natuurwetenschappelijke stelling kun je niet halen uit onderzoek naar historische bronnen. Dat levert alleen historische kennis op.

Robert_Fludd 1574 -1637Robert Fludd: het bewustzijn van de mens

"Ook het denkbeeld dat het bewustzijn zich tijdens het leven niet beperkt tot het lichaam en de hersenen blijkt niet nieuw. Onlangs zag ik een tekening van Robert Fludd (1574/1637), een arts en filosoof die in de 17e eeuw in Engeland leefde. Reeds in die tijd veronderstelde hij dat ons intellect met alle mentale processen, onze herinneren en emoties en onze dromen en visioenen, zich voor een groot gedeelte buiten onze hersenen bevindt. De tekening toont ook duidelijk de veronderstelde energieverbindingen met ons fysieke lichaam, met name met de hersenen, en dan vooral via de kruin en het voorhoofd." (p.304)

Deze wijze van denken is typerend voor het hoofdstuk 'Er is niets nieuws onder de zon'. Hij vraagt zich niet af, wat die lijntjes en cirkels in de tekening allemaal betekenen, of je dat letterlijk moet nemen of symbolisch en hoe je dat allemaal kan testen. Nee, hij is onder de indruk van de duidelijkheid van de tekening en neemt het kennelijk allemaal letterlijk. Met name energie via de kruin en het voorhoofd! Vierhonderd jaar geleden. De wiki zegt iets anders over Robert Fludd: een natuurkundige, astroloog en mysticus, speelde een rol in de geschiedenis van de Rozenkruisers beweging. Een waarschuwing zou moeten zijn dat Fludd vele 'perpetual motion machines' had bedacht. Dat vermeldt Van Lommel niet. Een moderne wetenschapper en zeker een neuroloog zou het niet in zijn hoofd halen enig gewicht toe te kennen aan wat een mysticus uit de 17e eeuw over hersenen en bewustzijn te vertellen heeft. Van Lommel vindt het allemaal prachtig. Hij ziet het als bevestiging. Hoe diep kun je zakken?

De balans opmaken

Op zeldzame momenten beseft Van Lommel heel eventjes dat de 'materialisten' sterke troeven in handen hebben:
"Men zou ook geen subjectieve ervaringen verwachten bij zulke patiënten, omdat alle centra in de hersenen die bewuste ervaringen genereren zijn uitgevallen. Er werden ook inderdaad in de vier prospectieve studies naar BDE bij ruim 80 procent van de patiënten met een hartstiltstand geen subjectieve ervaringen gemeld." (p.147) (schuin door mij toegevoegd).
Het is echter een terloopse opmerking. Hij doet er niets mee. Verder nog een onbedoeld komische opmerking:
"Men moet kennelijk wel een goed functionerend geheugen hebben om zich een BDE te kunnen herinneren" (p.138)
Dit naar aanleiding van zijn constatering dat patiënten na langdurig coma vaker een gestoord kortetermijngeheugen hebben door blijvende hersenbeschadiging. Op de volgende pagina vermeldt hij doodleuk dat één persoon na acht jaar niet kon meedoen aan het vervolg onderzoek "door geheugenstoornissen" en 4 patiënten waren onder andere door dementie niet in staat om aan het derde interview deel te nemen (p.140). Dit alles lijkt in strijd met de beruchte uitspraak die ik in mijn blog van 10 januari citeerde ("Het is nog steeds een onbewezen hypothese dat bewustzijn en herinneringen exclusief in onze hersenen worden geproduceerd en opgeslagen").
Een veelzeggend gegeven vind ik dat er na acht jaar 11 BDE-personen overleden waren (p.140). Dat mensen overlijden is doodnormaal. Maar het is ironisch dat de dood het onderzoek naar het leven-na- de-dood moet verhinderen. Vooral omdat Van Lommel in communicatie met doden gelooft. 'Dood bleek niet dood te zijn' citeert Van Lommel een BDE-patient (p.302). Nu vormt de dood een barrière voor zijn eigen onderzoek. Onderzoekspersonen vallen weg door de dood en daarmee stopt het onderzoek (2). Dat is veelzeggend.

Die dubbelheid in zijn denken lost Van Lommel kennelijk op door twee soorten bewustzijn te postuleren: eentje die wel ('waakbewustzijn') en eentje die niet afhankelijk is van de hersenen. Van Lommel is dus geen dualist, maar een trialist! Het wordt er allemaal niet begrijperlijker op. Het frustrerende is dat Van Lommel zich al deze problemen niet bewust is. Hij ziet het onlogische van zijn redeneertrant helemaal niet. Het is mij nu duidelijk dat het woordje 'exclusief' van cruciaal belang is in het rode citaat. Het is een impliciete erkenning van het feit dat het geheugen en bewustzijn wel degelijk -ten dele- door de hersenen geproduceerd worden. Het rare is dat hij dat nooit expliciet vaststelt of meeneemt in zijn afwegingen. Een goed schrijver geeft de lezer duidelijkheid over zijn standpunt.

Waarom hebben we überhaupt hersenen?

Van Lommel probeert vooral een uitzonderlijke situatie te verklaren (stilliggende hersenen en toch bewustzijn), maar vergeet waarom we überhaupt hersenen hebben! Waarom hebben we zo'n energetisch kostbaar orgaan? Waarom hebben de hersenen miljarden neuronen en even zoveel synapsen? (p.182). We zouden pas 'verruimd' bewustzijn ervaren als dat ontzettend complexe orgaan helemaal stil ligt? Hebben we de hersenen vooral om 'verrruimd' bewustzijn te onderdrukken? De hersenen zouden 'een natuurlijke rem voor het ervaren van verruimd bewustzijn' hebben? Dat is onbegrijpelijk. Ook zijn er mensen die onderzoeken wat er met je gebeurt als je een maand in totale isolatie van de buitenwereld in een donkere diepe grot doorbrengt of wat er met je gebeurt als je zonder zuurstofmasker naar 8.000 meter hoogte gaat klimmen. Laten we eerst proberen het normale functioneren van de hersenen beter te begrijpen vóódat we ons wagen aan de hersenen onder omstandigheden waarvoor ze nooit ontworpen zijn (d.w.z. ontworpen door de evolutie).

inhoud en werkelijkheid

Er is een groot verschil tussen de inhoud van een BDE en de relatie met de werkelijkheid buiten de hersenen. Ik zou graag willen horen van Van Lommel waarom hij denkt dat een BDE naar een werkelijkheid buiten de hersenen verwijst. Ik denk niet dat mijn dromen naar een werkelijkheid buiten mijn hersenen verwijst. Alles wijst erop dat dat niet zo is. Slaap is geen extreme omstandigheid voor de hersenen, het is een natuurlijke toestand. Als een stofje als DMT BDE-achtige verschijnselen op kan wekken, waarom zou een hartstilstand-BDE wel verwijzen naar een werkelijkheid buiten de hersenen? Zelfs als een bewusteloze BDE-patiënt buitenzintuigelijk een kunstgebit heeft gezien, betekent dat automatisch dat alle 12 BDE-elementen naar de werkelijkheid verwijzen? Zelfs als een BDE een diepgaande impact op iemands leven heeft, betekent dat dat een BDE vanzelfsprekend naar een werkelijkheid buiten de hersenen verwijst? Dat zijn de cruciale vragen.

Het boek van Van Lommel gaat véél en véél verder dan het Lancet artikel. In zijn boek verlaat hij de gangbare wetenschappelijke paden, en begeeft zich op wetenschappelijk glad ijs, en onbekend terrein. Bovendien begeeft hij zich op levensbeschouwelijk en religieus terrein. Met dit boek heeft hij voorgoed BDE geassocieerd met inferieure wetenschap, reincarnatie en communiceren met de doden. Daarmee heeft hij de groep van BDE patienten in Nederland geen dienst gedaan. Integendeel: het is schadelijk voor die groep. Juist die groep die hij wil helpen. Had hij het bij een vertaling en toelichting van het Lancet artikel gehouden, dan was het waarschijnlijk nuttig voor de 'erkenning' van het verschijnsel Bijna-Dood Ervaring en zelfs interessant geweest.

Noten
  1. Anderen hebben gebruik (misbruik) gemaakt van het filosofische qualia probleem: "Ook los van empirisch onderzoek kan men reeds door middel van filosofische analyse vaststellen dat concepten rond zogeheten qualia (kwalitatieve aspecten van subjectieve ervaringen) niet adequaat opgeslagen kunnen worden in de hersenen." (bron)
  2. Je vraagt je af waarom niet iedereen permanent met overleden familileden in contact staat. Het komt kennelijk niet in hem op een poging te ondernemen die overleden personen te interviewen via non-lokaal bewustzijn of een medium zoals Char. Dat zou een dubbele bevestiging van het leven na de dood zijn. Als je overleden personen rechtstreeks kunt interviewen, dan heb je alles in één klap bewezen. Maar als je kijkt hoe hij in de praktijk handelt, dan gelooft hij niet in zijn eigen theorie.


Posted by Gert Korthof at 09:24:34 | Permanent Link | Comments (70) |

Monday, January 21, 2008

Fouten in het boek van Pim van Lommel (4)

In vorige posts op 31 dec 2007, 4 en 10 januari 2008, heb ik opvallende biologische fouten in Van Lommel's boek besproken, en de natuurkundige Martin van Staveren heeft de meest opvallende fouten in de natuurkunde van Van Lommel besproken (7 en 8 jan). Van Lommel begaf zich op het terrein van de biologie en natuurkunde omdat hij daar steun zocht voor zijn revolutionaire theorie dat het bewustzijn onafhankelijk van het lichaam kan bestaan en dus dat er leven is na de dood. Die revolutionaire claim voert Van Lommel op om Bijna-Dood-Ervaringen te verklaren. Het wordt tijd dat we eens kijken naar die BDE's zelf.

Volgens een uitspraak van Van Lommel zelf lijken de ervaringen van psychoactieve stoffen zoals dimethyltryptamine of DMT 'verbazingwekkend veel op een BDE" (p.113). (LSD zit in dezelfde categorie (hallucinogenen). De wiki omschrijving van DMT is zeer leerzaam).

12 BDE elementen 'DMT ervaring'
1. onuitsprekelijkheid ?
2. gevoel van vrede en rust, geen pijn [56%] gevoel van onvoorwaardelijke liefde
3. het besef dood te zijn [50%]
?
4. uittreding [24%] ja
5. donkere ruimte; tunnel-ervaring [31%]; angst ?
6. niet-wereldse omgeving [29%]
ja
7. spreken met overledenen [32%]
communicatie met onstoffelijke wezens
8. lichtwezen [23%]
ja
9. levensschouw, levensterugblik [13%]
?
10. vooruitblik ?
11. ervaren van een grens [8%]
?
12. bewuste terugkeer in het lichaam ?
waarnemen van kleuren [23%]
helder, versneld denken,
diepe kennis,
angst voor de dood verdwijnt

Een stofje DMT doet iets in de hersenen wat vervolgens een BDE ervaring oproept. Dat stofje moet lokaal in de hersenen zijn werk doen, op een bepaald tijdstip. Maar dit is een door en door materialistische verklaring van BDE-achtige verschijnselen! Dus 'non-lokaal' of 'tijdloos' bewustzijn is helemaal niet nodig ter verklaring van BDE-verschijnselen.

Verder hangt het van de definitie af van BDE of je een DMT-ervaring een 'echte' BDE noemt of niet. Voor mij was het zeer verrassend te lezen hoe BDE door Van Lommel en anderen wordt gedefinieerd. Zijn definitie van de twaalf BDE elementen is niet waterdicht, want bij element 5c 'Angstwekkende BDE' schrijft Van Lommel "mogelijk 1 tot 2 procent van de mensen met een BDE blijft in de beangstigende donkere ruimte hangen" (p.55). Dus dat kenmerk is niet bepalend voor een echte BDE (zie verder over definitie). De kenmerken in de DMT kolom zijn van Van Lommel afkomstig en ik heb ze geprobeerd te matchen met de 12 BDE kenmerken. Ik houd een restcategorie over, maar dat komt door de enigszins vage omschrijvingen van die 12 BDE elementen. Geen wonder gezien kenmerk 1 (onuitsprekelijkheid)! Van Lommel is zelfs enthousiast over dit stofje:
"Het is een nieuwe en verrassende hypothese dat DMT, dat van nature in het lichaam voorkomt, wel eens een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het ervaren van een verruimd bewustzijn tijdens een BDE. Mogelijk wordt door DMT de natuurlijke rem voor het ervaren van verruimd bewustzijn in ons lichaam opgeheven. .. het metaal zink is noodzakelijk voor de synthese van DMT. Op hogere leeftijd zijn er lagere zinkspiegels in het lichaam aanwezig ... en wordt minder vaak een BDE gemeld." (p.114).
Kan het nog materialistischer: zink is nodig voor een BDE! Van Lommel realiseert het zich niet. Hij praat over het opheffen van een 'natuurlijke rem voor het ervaren van verruimd bewustzijn' wat dat ook moge zijn. Maar als zink daarbij een causale rol speelt dan is dat hartstikke materialistisch! Waarom en hoe zou een niet-lokaal en niet-materialistisch bewustzijn door zink beinvloed worden? Dat ontgaat hem (past niet in zijn revolutionaire paradigma).

Er zijn nog meer 'weggevertjes' zoals ik ze maar noem.
"Een zorgvuldige studie met epilepsiepatiënten heeft tevens aangetoond dat de kenmerkende elementen van een BDE zelden als onderdeel van zo'n temporaalkwabepilepsie worden gemeld." (p.114) (vet door mij aangebracht)
Zelden? Maar 'zelden' betekent dus dat de kenmerkende BDE-elementen in principe door een stoornis in de hersenen veroorzaakt kunnen worden! Alweer een 'materialistische' verklaring. Geen algemeen geldende verklaring voor BDE, maar toch een verklaring die aantoont dat BDE materialistisch te verklaren is (sorry voor het domme woord 'materialistisch', maar dat is nu eenmaal de term die Van Lommel steeds gebruikt) en dat een eindeloos niet-lokaal onstoffelijk bewustzijn niet nodig is om BDE's te verklaren. Dit bewijst niet dat dat soort zaken niet kunnen bestaan, ze zijn alleen niet nodig om BDE te verklaren.

Tenslotte is er het onderzoek naar het centrifugeren van straaljagerpiloten (p.110) waardoor zuurstofgebrek in de hersenen optreedt en verschijnselen als tunnelvisie, ervaring van licht, een vredig gevoel van drijven, waarnemen van korte, gefragmenteerde beelden uit het verleden. Van Lommel schrijft dat deze centrifuge ervaringen niet identiek zijn aan BDE ervaringen, maar volgens mij (1) is dat ook niet te verwachten omdat het mechanisme om zuurstoftekort op te wekken nogal verschilt, en (2) is dit alweer een 'materialistische' verklaring voor BDE-achtige verschijnselen.

Definitie BDE
De definitie van BDE vond ik erg verrassend. Zijn opmerking dat de ervaringen van gecentrifugeerde straaljagerpiloten anders is dan BDE, kan helemaal geen doorslaggevend argument zijn, want de definitie van BDE zelf is flexibel. Kijk maar eens naar de percentages die ik in de eerste kolom heb toegevoegd. Deze zijn afkomstig uit tabel 7.3 op p.136 en geven de frequentie van elementen van BDE bij 62 patiënten. Maar als het definiërende kenmerken van BDE zijn dan zouden de frequenties per definitie allemaal 100% moeten zijn. Bovendien geeft hij er maar 10, terwijl het er toch 12 zouden moeten zijn. Op pagina 135 geeft Van Lommel dit aan met de 'diepte van de BDE': hoe meer elementen worden gemeld, hoe dieper de BDE genoemd werd.
Aangezien de definitie van BDE kennelijk niet uit een lijst van noodzakelijke kenmerken bestaat, kun je ook niet claimen dat DMT, epilepsie, centrifugatie, etc. fundamenteel van BDE verschillen. Van Lommel zegt steeds bij ieder voorbeeld van zijn critici dat de verschijnselen niet identiek zijn met een echte BDE. Maar BDE zelf is een heterogene groep. De beroemde uittreding komt maar bij 24% voor, en de beroemde tunnel met licht komt maar bij 31% van de BDE's voor. De verschijnselen veroorzaakt door materialistische zaken als DMT, epilepsie, centrifugatie overlappen met BDE. Mijn conclusie luidt dan ook dat een heel scala van 'materialistische' omstandigheden een heel scala aan gewaarwordingen opleveren, maar dat er geen objectief vast te stellen BDE groep bestaat die een revolutionaire verklaring vereist. Het is dus zinloos om te bekvechten of bepaalde verschijnselen wel of niet onder de definitie van BDE vallen, omdat die definitie een afspraak is. Waarom Van Lommel daar toch tijd aan besteedt, komt m.i. omdat hij 'materialisme' wil bestrijden en het unieke van zijn BDE's wil behouden.

Controleerbare feiten
Wat wel de moeite waard is, en dat komt terloops ter sprake, is als patienten controleerbare feiten noemen die ze niet hadden kunnen horen of zien omdat ze bewusteloos waren, hun hersenen geen activiteit vertoonden, hun ademhaling en bloedsomloop stillag en hun ogen waren afgeplakt. Uit zijn eigen studie komt het verhaal over het kunstgebit als sterkste voorbeeld van een controleerbaar feit naar voren, ook naar eigen zeggen (p.133). De patient werd in coma de reanimatiekamer binnengereden en werd er in coma weer uitgereden, dus hij kon niet weten dat die verpleegkundige zijn kunstgebit verwijderd had en op een tafeltje had gelegd (p.47). Van Lommel was daar zelf niet bij, hij vertelt het verhaal 'zoals mij is gemeld door een verpleegkundige' (p.47). Van Lommel vertelt dat hij dit verslag persoonlijk heeft gecontroleerd, maar niet hoe. Welke kritische vragen heeft hij gesteld, etc. Ik vrees dat we niet kunnen uitsluiten dat de patient iets gehoord kan hebben nadat hij weer bijkwam en vóórdat dat de verpleegkundige binnenkwam. Tenslotte heeft de patient niet voortdurend onder camera-bewaking gestaan. We kunnen die videoband dus niet afdraaien ter controle. Het blijft een unieke onherhaalbare historische gebeurtenis. Het is geen dubbelblind medisch-wetenschappelijk experiment. Een wetenschappelijk onderzoeker ondervraagt rechtstreeks de natuur zonder tussenkomst van een persoon. Het bewijsmateriaal bij Van Lommel is altijd via één of zelfs meer tussenpersonen (1). Dat is en blijft een nadeel, hoe betrouwbaar en eerlijk die personen ook moge zijn.
De best gedocumenteerde BDE is de BDE van Pamela Reynolds zoals beschreven door de cardioloog Michael Sabom (in een boek 2) en de neurochriurg Robert Spetzler (in de BBC-idocuemtaire 'The Day I Died' 3) die haar opereerde. Haar EEG was vlak, er was geen response van de hersenstam, er stroomde geen bloed naar de hersenen, ze was onder diepe narcose, haar lichaamstemperatuur was teruggebracht tot ongeveer 10 graden, ze lag aan een hart-long machine wegens de uitval van haar hartactiviteit (!?), al het bloed was uit haar hersenen verwijderd. Toch kon ze gesprekken van artsen verstaan. Het Nederlandstalig verslag staat op de site van de Stichting Merkawah (pdf). Deze stichting is door Van Lommel zelf opgericht. De Engelse wiki heeft een pagina over Pamela Reynolds. Die pagina heeft het voordeel dat er ook kritiek vermeld wordt. Helaas bespreekt of weerlegt Van Lommel die kritiek niet. Pamela Reynolds heeft haar BDE opgeschreven en ze heeft het aangevuld in een BBC documentaire. Van Lommel geeft een Nederlandse vertaling, maar ik kan het originele Engelse verslag niet vinden op het internet. Ook niet op de homepage van PR. Géén van de verslagen over de gebeurtenis is in een peer-reviewed tijdschrift (zoals Lancet) gepubliceerd. Het geval PR is géén BDE experiment in die zin dat het is opgezet met de bedoeling om onder gecontroleerde omstandigheden een BDE te induceren. Die experimenten bestaan überhaupt niet. De BDE was een onbedoeld neveneffect van een operatie. De chirurgen hadden uiteraard andere prioriteiten. Dit is typerend voor alle BDE verslagen: ze zijn altijd een neven-effect van medisch handelen, ook de 62 hartpatiënten van Van Lommel. Ik weet ook wel dat een doelgericht BDE experiment problemen op zal leveren bij Medisch-ethische commissies, vanwege het grote risico van overlijden zonder enig medisch nut. Maar dat verandert helaas niets aan de inferieure kwaliteit van BDE onderzoek ten opzichte van gangbare wetenschappelijke experimenten. Pamela Reynold's BDE mag dan wel de best-gedocumenteerde BDE ter wereld zijn, toch is het een unieke historische gebeurtenis en geen gepland wetenschappelijk experiment. Met alle nadelen vandien.

Geheime tekens
Een stap in de richting van een goed experiment is dat Van Lommel en eerdere onderzoekers tekens hadden aangebracht ter hoogte van het plafond in de patiëntenkamers van de hartbewaking die vanaf de grond niet zichtbaar waren (p.147). Van Lommel is zo eerlijk om te melden dat "Helaas is er nooit een uittredingservaring met waarneming gemeld door een patiënt die in deze kamer werd gereanimeerd." (p.132). Dit geldt ook voor twee Engelse studies die hetzelfde gedaan hadden (p.147,148). Desondanks, pleit dit tegen de hypothese dat uittreding gepaard kan gaan met buitenzintuigelijke waarneming.


Lancet publicatie
Over de Lancet publicatie merkt Van Lommel zelf op: "Voor zover mij bekend zijn er, behalve het licht kritisch commentaar in The Lancet zelf, in wetenschappelijke tijdschriften geen negatieve commentaren verschenen." (p.144). Nieuwsgierig geworden heb ik de Lancet erop nageslagen, want Van Lommel vertelt notabene niet wat dat 'licht kritisch commentaar' inhoudt, laat staan dat hij het weerlegt! Hoogstmerkwaardig. Het 'licht kritisch commentaar' bevat o.a.:
"But the truth is that nobody knows when the NDEs reported by these patients actually occurred. Was it really during the period of flat EEG or might they have occurred as the patients rapidly entered or gradually recovered from that state?" (5)
Dit is bijzonder ernstige kritiek die de kern van zijn claim raakt. Als de NDE niet exact op het moment dat de hersenen volledig plat liggen opgetreden is, dan komt de hele revolutionaire claim dat helder bewustzijn plaatsvindt tijdens 'hersendood' in de lucht te hangen. Dit is zeer serieuze kritiek temeer als men bedenkt dat Van Lommel elders heeft geschreven: "Bij onze patiëntengroep was geen EEG gemaakt — dat kan niet tijdens een reanimatie — alleen maar een ECG." (6).
En Van Lommel negeert deze kritiek in zijn boek 6 jaar na de Lancet publicatie. Het Lancet-commentaar geeft alternatieve verklaringen voor NDE's, oppert de mogelijkheid van 'false memories', geeft voorbeelden van mensen die in eerste instantie geen NDE hadden, maar bij een tweede interview toch weer wel. Het artikel besluit met de constatering dat Van Lommel's studie een verbetering is ten opzichte van vorige studie's, maar de ernstige kritiek blijft staan. Die opmerking zegt meer over de slechte kwaliteit van vorige studie's, dan over de hoge kwaliteit van Van Lommel's onderzoek. In wetenschappelijke kringen is het ondenkbaar dat je kritiek van vakgenoten in vaktijdschriften negeert. In zijn boek negeert Van Lommel doodleuk ernstige kritiek en noemt het 'licht kritisch commentaar'. In zijn boek meldt hij de stevige kritiek van C. Renckens en prof. dr. W. Betz, maar hij beantwoord hun kritiek niet! Dit is een onprofessionele houding.

In een volgende en laatste blog over dit onderwerp zeg ik nog kort iets over filosofie en theologie en zal ik de balans opmaken.

Noten
  1. dit is sowieso onvermijdelijk bij het bewustzijn dat altijd een verschijnsel is dat ontoegankelijk is voor andere personen.
  2. M.B. Sabom (1998) hoofdstuk 3 in: 'Light and Death'
  3. Susan Blackmore geeft een kritisch verslag over de BBC documentaire. Van Lommel geeft niet eens aan wanneer de documentaire is uitgezonden door de BBC of wanneer de Nederlandse versie is uitgezonden. Erg slordig allemaal.
  4. -
  5. Christopher C French (2001) 'Dying to know the truth: visions of a dying brain, or false memories?' The Lancet Volume 358, Issue 9298, 15 December 2001, Pages 2010-2011.
  6. http___www.merkawah.nl_html_Pam%20Reynolds-overdruk.pdf .

Posted by Gert Korthof at 10:57:30 | Permanent Link | Comments (8) |

Wednesday, January 16, 2008

Creationisten en het GULO-gen

gastbijdrage Bart Klink

In een eerder stuk op dit blog heb ik reeds gewezen op een gen (het GULO-gen) dat wij hebben, maar dat niet werkt. Wij zijn niet de enigen met dit pseudo-gen, andere primaten hebben het ook en dat lijkt sterk op dat van ons. Bij cavia’s is dit gen ook defect, maar het lijkt veel minder op ons pseudo-gen. Dit is precies wat je op grond van evolutie zou verwachten.

De grote vraag is natuurlijk wat creationisten doen wanneer ze hiermee geconfronteerd worden. Twee creationisten die het GULO-gen als bewijs voor evolutie hebben proberen te ontkrachten zijn Peter Scheele (die met zijn ‘degeneratietheorie’ het einde van de evolutietheorie meende in te luiden) en Peter Borger (die meent de General & Universal Theory of Biology (GUToB) te hebben ontdekt). Beide heren zijn dus nogal pretentieus, maar hoe sterk zijn hun argumenten?

Peter Scheele doet zijn poging in een stukje op zijn website 1. Na uitgelegd te hebben wat het punt is 2citeert hij een aantal samenvattingen van artikelen (waarbij hij overigens geen referenties plaatst). Op grond van één van die artikelen (Inai et al., 2003 3 beweert hij “Ofwel: een vergelijking toont dat cavia’s en mensen heel veel dezelfde vervangingen vertonen. Dat is natuurlijk uitermate vreemd, want die twee hebben hun disfunctionele Vitamine C-gen natuurlijk niet gemeenschappelijk geërfd.”. Hierbij maakt hij dezelfde fout als de auteurs van het betreffende artikel maken 4 ze menen namelijk dat het menselijke pseudo-gen en dat van de cavia zijn gemuteerd ten opzichte van het (werkende) gen van de rat. Inai et al. doen dat expliciet (“the same substitutions from rats to both species”) en Scheele impliciet.

De fout zit in het feit dat de rat niet een voorouder is van mensen of cavia’s 5. Ook de sequentie van het GULO-gen van de rat is dus niet voorouderlijk. Het is daarom onzinnig om te spreken over veranderingen ten opzichte van de rat. De rat heeft sinds zijn gedeelde gemeenschappelijke voorouders met apen en de cavia zijn eigen veranderingen gekregen. De rat is niet een soort onveranderlijke Gouden Standaard ten opzichte waarvan de rest veranderd is. Wanneer de sequentie van de rat op een bepaalde positie verschilt van zowel die van zowel de apen als van de cavia’s, is de meest waarschijnlijke verklaring dat het een verandering in de rat betreft (en dus niet dezelfde verandering in zowel de primaten als de cavia).

Dit is te controleren door de sequenties van nog meer dieren bij de vergelijking te betrekken 6. Wanneer bijvoorbeeld naar positie 1 gekeken wordt, is te zien dat de rat een G heeft en de primaten en de cavia een A. In Scheeles redenering is deze positie bij zowel de vier primaten als de cavia veranderd ten opzichte van de rat (van een G naar een A). Wat echter veel waarschijnlijker is, is dat de rat op deze positie veranderd is (van een A naar een G). Wanneer gekeken wordt naar wat andere dieren op deze positie hebben (ook een A), blijkt dat dit zeker het geval is.

Opmerkelijk genoeg merkt Scheele wel op dat het pseudo-gen van de mens erg op dat van de chimpansee lijkt en veel minder op dat van de cavia. Hij probeert onder de evolutionaire verklaring hiervoor uit te komen door drie alternatieve verklaringen te geven.

“in de eerste plaats: als het aan de buitenkant meer op elkaar lijkt, dan moet het in de binnenkant ook meer op elkaar lijken.” In biologische termen lijkt hij hiermee te bedoelen dat het logisch is dat fenotypische overeenkomsten ook genotypische overeenkomsten hebben. Het mooie van het voorbeeld van het GULO-gen is echter dat er geen ‘buitenkant’ (meer) is, het gen is immers defect, het leidt niet tot een fenotypisch resultaat. Er is dus geen enkele fenotypische (en daarmee functionele) reden waarom de genen zoveel op elkaar zouden lijken.

“Er is (uiteraard) een verschil in generatie-snelheid [sic] van de verschillende soorten.” Dit maakt niets uit omdat het niet kan verklaren waarom mensen en chimpansee (en andere primaten) zoveel gedeelde mutaties hebben (wanneer gemeenschappelijke afstamming geen optie is).

“Verder is het ook nog maar de vraag of al de reparatie-mechanismen [sic] in de verschillende soorten identiek zijn.” Ook dit is irrelevant omdat het wederom niet verklaart waarom er zoveel gedeelde mutaties zijn (die blijkbaar niet gerepareerd zijn).

Ook merkt Scheele op dat er bij de vier primaten op positie 97 een deletie (verwijdering van een letter) heeft plaatsgevonden. Is dit het gevolg van gemeenschappelijke afstamming? Volgens Scheele is de verklaring hiervoor dat er ‘hotspots’ zijn (“plekken waar afwijkingen sterker geneigd zijn op te treden dan op andere plekken en zodoende niets met gemeenschappelijk afstamming te maken hebben”). Als positie 97 al een hotspot is (en dat is niet eens met zekerheid te zeggen), dient Scheele nog te verklaren waarom alle primaten op exact dezelfde positie dezelfde verandering (een deletie) hebben. Daarnaast zijn er naast deze ene positie nog vele andere posities (12 stuks) in de primatensequenties die gedeelde mutaties bevatten. Ook deze ene mogelijke hotspot ontkracht gemeenschappelijke afstamming dus niet. Hiermee valt heel Scheeles kritiek in duigen en blijft gemeenschappelijke afstamming als enige wetenschappelijke verklaring over.

Creationist Peter Borger maakt in zijn eerste artikel waarin hij het GULO-gen bespreekt (Borger, 2006) dezelfde fout. Hij beweert daarin dat de overeenkomsten niet het resultaat zijn van gemeenschappelijke afstamming, maar van een gemeenschappelijk mechanisme (“common mechanism”): de hotspots. Hij stelt: over 50 percent of the mutations in the GULO pseudogene that are shared between humans and the great apes are mutational hot spots also found in guinea pigs” (p. 2). Dit onderbouwt hij met figuur 2, waarin de vetgedrukte letters de vermeende hotspots zijn (13 stuks).

Wederom geldt hier: wanneer zowel de primaten als de cavia op dezelfde manier (dezelfde letter) verschillen van de rat (7 van de 13 vermeende hotspots), is het de rat die verschilt van het ancestrale gen, niet de primaten en de cavia. Alleen op positie 81 hebben de primaten en de cavia door toeval dezelfde verandering 7. In de andere 5 gevallen betreft het twee keer een gedeelde verandering bij de primaten waarbij één primaat nog weer een eigen verandering heeft (posities 55 en 131), twee veranderingen die de primaten delen en de cavia een eigen verandering heeft (posities 76 en 156) en één mogelijke hotspot (positie 97, zie hierboven). De 13 hotspots van Borger zijn dus helemaal geen hotspots (met één mogelijke uitzondering, positie 97). Dit blijkt allemaal heel duidelijk als je de sequenties van meerdere dieren vergelijkt6. Aangezien zijn argument van “common mechanism” is gebaseerd op deze hotspots die niet bestaan, blijft wederom alleen gemeenschappelijke afstamming als wetenschappelijke verklaring over.

Borger geeft echter de moed niet snel op. Na door een aantal mensen op bovenstaande fout te zijn gewezen, doet hij samen met een andere creationist (Royal Truman) een nieuwe poging met een publicatie in de ‘Journal of Creation’, een jonge-aarde-creationistisch blad. Creationisten moeten wel hun eigen blad hebben, want bij de serieuze wetenschapsbladen vallen ze uiteraard meteen door de mand. De publicatie van Borger (Truman & Borger, 2007) zou zeker geen uitzondering daarop vormen, gezien het aantal (grote) fouten en slordigheden.

Het begint al bij de tweede regel van zijn samenvatting: “Since Hominidae are claimed to have evolved from a rat common ancestor, the modern rat GULO sequence was used as the outgroup in phylogenetic tree building.” Dit is niet, zoals het op het eerste gezicht lijkt, wat Borger denkt, maar wat hij denkt dat evolutiebiologen denken. Echter, geen enkele evolutiebioloog beweert dat de Hominidae een rat als gemeenschappelijke voorouder hebben. Geen enkele evolutiebioloog zal ook dus denken dat het GULO-gen van de rat ancestraal is. Hij beweert constant dat de ‘evolutionisten’ dit steeds gedacht hebben en dat hij dit met deze publicatie voor het eerst recht zet. Ironisch genoeg was het Borger zelf die dat steeds dacht (zie Borger (2006)) en creationist Scheele die dat waarschijnlijk nog steeds denkt. Hun fout is gebaseerd op de fout van Nishikimi, die een medicus is 8, geen bioloog, laat staan een evolutiebioloog.

Zelfs de gehele orde der primaten heeft geen rat als gemeenschappelijke voorouder, vanwege de simpele reden dat geen enkele levend dier een voorouder is van een ander levend dier (afgezien van de contemporaine situatie waarin jongen, ouders en eventueel grootouders tegelijk leven). Ratten zijn vrij nauw verwant aan primaten, maar er zeker geen voorouders van. Voorts meent Borger tevens dat ook de makaak tot de Hominidae behoort (“Hominidae (humans, macaques, orangutans, gorillas and chimpanzee)”, p.118), terwijl die tot de Cercopithecidae behoort. Dit blijkt, ironisch genoeg, ook uit figuur 4 van zijn eigen artikel.

Na de inleiding geeft Borger aan waarom de evolutionaire interpretatie volgens hem niet opgaat. Hij stelt: “We collected exon X sequences reported for the GULO pseudogene of orangutan, human, chimpanzee, macaque and guinea pig genomes and discovered (table 1) that all these sequences shared the same nucleotide at nine positions which differed from that of the rat, whose GULO is functional.” (p.119). Hoewel het niet helemaal duidelijk is, lijkt hij hier in dezelfde fout te vervallen door het pseudo-gen van de primaten en de cavia te vergelijken met het werkende gen van de rat. Als hij deze fout echter niet maakt, heeft het plaatsen van tabel 1 geen nut. Volgens het bijschrift van deze tabel zijn identieke nucleotiden (waarvan de letters representaties zijn) niet weergegeven, maar heel veel niet-identieke nucleotiden ontbreken (op posities 2, 12, 55, 56 enz.). Tabel 1 is dus misleidend of onzinnig.

Ook stelt hij dat er behoorlijke controverse (“conciderable controversy”, p. 119) bestaat over de evolutionaire positie van de cavia. Meer dan 10 jaar geleden was het inderdaad niet helemaal duidelijk of cavia’s wel knaagdieren waren, gebaseerd op beperkte data. Als Borger echter een beetje op de hoogte was geweest van de wat meer recente literatuur hierover, had hij geweten dat het nu duidelijk is dat cavia’s gewoon knaagdieren zijn (Robinson-Rechavi, 2000; Reyes, 2004).

Borger maakt het vervolgens nog bonter door conclusies over evolutionaire patronen te trekken op basis van zelfgemaakte ‘ongewortelde bomen’ (unrooted trees, figuren 2 en 3). Hier wordt pijnlijk duidelijk dat hij geen idee heeft waar hij mee bezig is. Dat kan namelijk helemaal niet op basis van ongewortelde bomen, maar alleen op basis van gewortelde bomen (rooted trees) (Graur & Li, 2000, p.169). Blijkbaar denkt Borger dat de meest recente gemeenschappelijke voorouder in het midden van deze ongewortelde boom moet zitten: “The extant seven organisms possessing an intact GULO gene would have arrived through different lineages from a common starting point involving the same amount of time. To a first approximation, these should be roughly equidistant from a central point for all these organisms, point p1 in figure 2 and figure 3.” (p. 120, nadruk BK).

Buiten de slordigheid om dat er in de figuren 2 en 3 nergens een “point p1” is aangegeven, is het onmogelijk om in een ongewortelde boom een “gemeenschappelijk startpunt” aan te geven. Ongewortelde bomen laten namelijk heel veel evolutionaire scenario’s open, die pas tot één scenario gereduceerd wordt als er een wortel is gekozen (zodat een gewortelde boom ontstaat). Strikt genomen zijn ongewortelde bomen dus niet eens fylogenetische bomen omdat ze geen evolutionaire geschiedenis beschrijven . Dit is basale kennis fylogenetica (de wetenschap die zich bezighoudt met het vasttellen van evolutionaire verwantschappen).

Volgens Borger zijn de eerste 4 punten op p. 120 evolutionair gezien niet logisch (“make no sense in evolutionary terms”). Zo stelt hij als punt 1 dat het ratgenoom abnormaal snel gemuteerd is: “Rat vs mouse: these supposedly share a recent common ancestor. Since their divergence, the rat genome seems to have mutated abnormally fast.” (p.120). Wat is abnormaal snel? De rat heeft 10 verschillen met het ancestrale gen, de muis 7. Hier is niets abnormaals aan, zeker niet gezien het feit dat 5 van de 10/7 mutaties gedeeld zijn. Voorts zijn punten 2, 3 en 4 gebaseerd op bovenstaand misverstand wat ongewortelde bomen betreft. Dit dus zijn geen problemen voor gemeenschappelijke afstamming, maar exposities van Borgers onkunde en onbegrip. Het is sowieso onverstandig om alleen op basis van deze sequentie een fylogenetische boom te bepalen, omdat werkende genen met niet-werkende genen worden vergeleken en de sequentie vrij kort is.

Borger meent ook dat enkele individuele veranderingen die niet in lijn zijn met gemeenschappelijke afstamming bewijs zijn dat mutaties sterk vertekend (“Strongly biased”, p. 122) en dus niet random zijn (op p. 123 doet hij dit eveneens). Geen enkele evolutiebioloog verwacht echter dat alle mutaties in lijn zijn met gemeenschappelijke afstamming. Dat zou zelfs zeer merkwaardig zijn voor een proces als evolutie dat een random component heeft. Waar het echter om draait is de waarschijnlijkheid van het optreden van een bepaald patroon in een hele sequentie, niet om enkele individuele posities. Als Borger wil bewijzen dat mutaties in dit gen biased zijn, zal hij met een goede statistische analyse moeten komen waaruit een significante bias blijkt. Dat doet hij echter niet.

Verderop heeft hij het toch weer over hotspots: “Apropos hotspots, the data summarized in table 2 indicates strongly that at the time point mutations supposedly occurred, they all did so at the same location in a manner that cannot explainable by common descent.“ (p. 123). Volgens noot 31 zijn er nog 11 andere mogelijke hotspots, maar wie de betreffende posities opzoekt, zal er achterkomen dat het vrijwel uitgesloten is dat het hotspots zijn (want nagenoeg geen variatie). Op zijn eigen weblog antwoordde hij overigens op de vraag hoeveel hotspots er volgens hem zijn: “Maar het zijn er 0.” 9. Blijkbaar is hij er zelf niet uit. Nogmaals: dit zijn geen hotspots, maar gedeelde veranderingen die juist heel goed te verklaren zijn met gemeenschappelijke afstamming.

Niet alleen bij het interpreteren van de DNA-sequentie gaat Borger de mist in, ook bij het interpreteren van de aminozuren (waar DNA voor codeert) slaat hij de plank mis. Op p. 124 stelt hij hierover: “This confirms the observation that guinea pig genes tend to be very different from those of other rodents, contra evolutionary morphological expectations.”. Het is op evolutionaire gronden juist te verwachten dat de cavia hier verschilt van de andere knaagdieren omdat zijn GULO-gen niet meer werkt en dat van de andere knaagdieren wel. In een werkend gen is slechts in beperkte mate aminozuurvariatie mogelijk (anders zou het enzym niet meer werken), in een pseudo-gen is die beperking er niet. De cavia heeft dus meer aminozuurveranderingen kunnen oplopen dan de andere knaagdieren. Hetzelfde geldt voor de primaten.

Bijna aan het einde (p.125) probeert Borger een creationistische verklaring te geven voor de deletie op positie 97 die alle primaten gedeeld hebben. Hij wijst erop dat ook gorilla’s hier ook een deletie zouden moeten hebben. Dit is op dit moment niet bekend, maar het is inderdaad een precieze en toetsbare evolutionaire voorspelling. Als dit niet het geval zou blijken te zijn, zou Borger een serieus punt hebben. Voorts meent hij dat de evolutietheorie niet het betreffende patroon voorspeld zou hebben en dat pas achteraf een evolutionair scenario is gegeven. Dat is onzin. Het evolutionaire scenario bestond al veel eerder en wordt hierdoor slechts bevestigd. De gemeenschappelijke deletie wijdt hij aan toeval. De kans dat dit door toeval gebeurt is vrij klein, maar Borger vergeet blijkbaar dat er nog 12 andere gedeelde mutaties zijn (die ook geen hotspots zijn). De kans dat op 13 posities 4 keer dezelfde mutaties door toeval ontstaan, is astronomisch klein.

Uiteindelijk weet Borger in zijn artikel geen goede verklaring te geven voor de centrale vraag over dit onderwerp: Waarom lijkt het GULO-gen van de mens veel meer op dat van de chimpansee (en andere primaten) dan op dat van de cavia, terwijl daar geen functionele reden toe is? Borger dient niet alleen te verklaren waarom alle vier de primaten een deletie delen op dezelfde positie, maar ook waarom alle vier de primaten op nog 12 andere dezelfde posities dezelfde letters hebben. Nogmaals: de kans dat dit door toeval gebeurt, is astronomisch klein en de hotspot-verklaring is ook ontoereikend. De optie dat God vier dieren geschapen heeft met een defect gen, dat ook nog eens zeer sterk de indruk wekt van gemeenschappelijke afstamming, lijkt voor hem ook niet bepaald aantrekkelijk. Ook nu weer blijft gemeenschappelijke afstamming als enige verklaring over, zeker de enige wetenschappelijke.

Afgezien van de bovenstaande fouten, zijn er nog veel meer fouten in zijn artikel aan te wijzen. Omdat het onbegonnen werk is om op alles in te gaan, noem ik er nog slechts twee. Op p. 127 spreekt Borger van “humans and various monkeys”, blijkbaar denkende dat chimpansees en orang-oetans ook “monkey’s” zijn. Dat zijn echter “apes” (mensen ook trouwens). De enige “monkey” is de makaak. Ook spreekt hij in zijn samenvatting over verklaringen met behulp van “Bayes rule”, maar in het gehele artikel is niets bayesiaans terug te vinden 10. Ook is het vaak lastig te onderscheiden wat Borger nu denkt, wat hij eerder dacht en wat hij denk dat evolutiebiologen denken. Ik ben dan ook voornamelijk op de punten ingegaan waarvan ik (vrijwel) zeker weet dat Borger ze nu maakt.

Een artikel dat zoveel grote en kleine fouten bevat, zal nooit door het peer-review proces van de serieuze wetenschapsbladen heen komen. Een eerstejaarse biologiestudent zou hier zelfs nog geen voldoende voor krijgen. Hierdoor is Borger genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot een creationistisch tijdschrift, waar ze het blijkbaar niet zo nauw nemen met inhoudelijke juistheid (als ze dat al kunnen beoordelen). Fylogenetica is een vak apart met haar eigen methoden, specialistische kennis, discussiepunten, problemen en oplosstrategieën. Ik ben daar geen expert in en Borger is dat gezien zijn schrijven zeker niet. Daar laat hij zich echter niet door hinderen bij zijn verwoede pogingen de evolutiebiologie te ‘ontmaskeren’. Ondanks het feit dat hij ongekend pretentieus is, blijkt de man die meent de biologie op z’n kop te hebben gezet reeds op basale punten de mist in te gaan.

Referenties

Borger, P. (2006). Shared mutations: Common descent or common mechanism?

Borger, P. (2007). Why the shared mutations in the Hominidae exon X GULO pseudogene are not evidence for common descent. Journal of Creation, 21(3): 118-127.

Graur, D., Li, W.H. (2000). Fundamentals of molecular biology, 2nd ed., Sinauer Associates

Holder, M., Lewis, P.O. (2003). Phylogeny estimation: traditional and Bayesian approaches. Nature Reviews Genetics, 4(4):275-84.

Inai, Y., Ohta, Y., Nishikimi, M. (2003). The whole structure of the human nonfunctional L-gulono-gamma-lactone oxidase gene--the gene responsible for scurvy--and the evolution of repetitive sequences thereon. Journal of nutritional science and vitaminology, 49(5):315-9.

Reyes, A., Gissi, C., Catzeflis, F., Nevo, E., Pesole, G., Saccone, C. (2004). Congruent mammalian trees from mitochondrial and nuclear genes using Bayesian methods. Molecular biology and evolution, 21(2):397-403

Robinson-Rechavi, M., Ponger, L., Mouchiroud, D. (2000). Nuclear gene LCAT supports rodent monophyly. Molecular biology and evolution, 17(9):1410-2.

Noten
  1. http://www.degeneratie.nl/index.asp?PaginaID=1803
  2. Hier gaat hij al de fout in door te beweren dat exons “coderende onderdelen van het eiwit” zijn, terwijl het hier om coderende delen van het pre-mRNA gaat (of het equivalente deel daarvan in het DNA).
  3. Van dit artikel is helaas alleen een samenvatting beschikbaar via internet.
  4. Deze groep van Nishikimi maakt deze fout vaker. Nishikimi is ook geen (evolutie)bioloog maar een medicus (zie noot 8). Desalniettemin is het een grote en slordige fout die gecorrigeerd had moeten worden.
  5. Een vergelijkbare fout wordt overigens wel vaker gemaakt, vooral door creationisten. Michael Denton maakte in zijn “Evolution: a theory in crisis” dezelfde fout met betrekking tot cytochroom c (http://home.wxs.nl/~gkorthof/kortho18.htm#Crit3). Ben Hobrink neemt deze fout in zijn “Moderne wetenschap in de Bijbel” over.
  6. http://www.freewebs.com/deatheist/GULOsequentie.doc
  7. De kans is vrij groot dat dit af en toe gebeurt. Er zijn namelijk maar twee (niet vijf) dezelfde veranderingen voor nodig: één in de voorouder van de primaten en één in de voorouder van de cavia.
  8. NISHIKIMI Morimitsu
  9. http://www.volkskrantblog.nl/bericht/173735 Bericht geplaatst door “peebee” (Peter Borger) op 28-12-2007 18:00
  10. Het theorema van Bayes wordt door serieuze wetenschappers overigens steeds meer gebruikt in de fylogenetica, zie voor een review Holder & Lewis (2003).

 


Beide heren in dit stuk genoemd mogen éénmalig op dit blog reageren met een korte en zakelijke reactie. Ik moet de heren sterk aanraden zich daarom tot het allerbelangrijkste te beperken. Ik wil nl. géén eindeloze discussie die voor de lezer niet interessant is. (GK)

Webstats4U

Posted by Gert Korthof at 09:33:09 | Permanent Link | Comments (18) |

Monday, January 14, 2008

EO op de vingers getikt door BBC


klik voor vergroting

Zoals uit bovenstaande brief van de BBC blijkt, heeft de BBC de EO opdracht gegeven om de Nederlandse, gecensureerde versie van de BBC documentaire Life of Mammals van David Attenborough niet langer te koop aan te bieden.

De EO had zowel de TV uitzending van Het leven der zoogdieren als de DVD stilzwijgend gecensureerd door alles over evolutie en miljoenen jaren eruit te knippen. Deze vorm van inkorting is censuur omdat het stiekum gebeurde, inhoudelijk was, en de EO een de facto monopolie had op de TV-uitzendingen en verkoop van de DVD. Directeur Hagoort van de EO weigerde excuses aan te bieden aan de Nederlandse kijker, weigerde de DVD's te labelen met 'wij hebben alle verwijzingen naar evolutie en miljoenen jaren verwijderd', en weigerde in het vervolg te melden dat de TV uitzendingen inhoudelijk geknipt waren en weigerde verantwoording af te leggen van het feit dat een omroeporganisatie schaamteloos een wetenschappelijke gangbare theorie (evolutie) verwijderde. Tenslotte werd er stilzwijgend ingegrepen in het werk van de internationaal geroemde en vele malen bekroonde natuurdocumentairemaker David Attenborough.

Dit blog berichtte voor het eerst op 27 juli 2007 over de censuur in een minitieus gedocumenteerde rapport van Gerdien de Jong, hoofddocent evolutiebiologie bij de Universiteit Utrecht. Het bericht heeft de landelijke pers gehaald, heeft veel stof doen opwaaien in Nederland en daarbuiten, en er is door meer dan 200 websites en blogs over bericht.


Naschrift: op 28 jan 2008 berichtte het ANP over de zaak. Zie: bijv. nu.nl en actueel.nl (onbekende datum, ik wordt genoemd) en Reformatorisch Dagblad (28 jan 2008), nieuws.nl (29 jan), Volkskrant (28 jan), Elsevier (28 jan), RKNieuws.net (28 jan), Katholiek Nederland (28 jan).

Posted by Gert Korthof at 14:50:55 | Permanent Link | Comments (5) |

Sunday, January 13, 2008

Waarom het GULO-gen bewijs is voor evolutie

gastbijdrage Bart Klink

 

Zoals iedereen weet, moeten wij vitamine C (ascorbinezuur) via ons voedsel binnenkrijgen, hetgeen we voornamelijk doen door groente en fruit te eten. Wie dit lange tijd niet doet, zal scheurbuik krijgen. Dit kwam vroeger voornamelijk voor bij zeelieden die lange tijd van wal waren, omdat zij niet aan de nodige verse groente en fruit konden komen. Zo lang we maar voldoende vitamine C binnen krijgen, is er niets aan de hand. Scheurbuik komt in de ontwikkelde wereld dan ook praktisch niet meer voor.

Het consumeren van vitamine C lijkt misschien niets opmerkelijks, ware het niet dat bijna alle andere ‘hogere’ dieren deze vitamine zelf aan kunnen maken en het dus niet via voeding binnen hoeven te krijgen. De uitzonderingen die goed gedocumenteerd zijn, zijn een aantal primaten (de mens, chimpansee, orang-oetan, en makaak) en de cavia (Nishikimi et al,, 1992, 1994; Ohta & Nishikimi, 1999). Hoe kan het dan dat deze dieren dat niet kunnen, en bijna alle andere wel? Het probleem zit in de aanmaak (synthese) van de betreffende vitamine. Dit geschiedt namelijk via een cascade aan stappen die door enzymen gedreven worden, maar het laatste enzym in deze cascade wordt niet gesynthetiseerd bij de primaten en de cavia. Het betreffende enzym is L-gulono-gamma-lactone oxidase en het gen dat dit enzym zou moeten aanmaken wordt het GULO-gen (of GLO-gen) genoemd. Omdat dit gen bij de primaten en de cavia wel aanwezig is, maar defect is, wordt het een pseudo-gen genoemd.

Tot zover niets bijzonders. De oplettende lezer is het misschien al opgevallen dat het feit dat de primaten dit pseudo-gen hebben evolutionair gezien niet toevallig kan zijn. Aangezien volgens de evolutietheorie alle primaten van een gemeenschappelijke voorouder afstammen, is te verwachten dat het betreffende pseudo-gen binnen de primaten sterk gelijkend is. Sterker nog: volgens het gangbare afstammingspatroon is te verwachten dat het GULO-gen van de mens het meest lijkt op die van de chimpansee, iets minder op die van de orang-oetan en nog iets minder op die van de makaak.

Het mooie is dat we dit kunnen toetsen. Daarvoor eerst wat basics genetica. Ons DNA bestaat uit een discrete code die wordt weergegeven met slechts vier letters: A, C, G en T. Een gen is een stukje DNA en bestaat dus ook uit deze letters. Een bepaalde volgorde van deze letters wordt een (DNA-)sequentie genoemd. Het GULO-gen bestaat uit 165 letters. Een werkend gen kan via een ingewikkeld proces worden uitgelezen en als instructie dienen voor de bouw van bijvoorbeeld een eiwit (zoals een enzym). Wanneer door een mutatie in het gen de sequentie (lettervolgorde) zodanig verandert dat het gen niet meer uitgelezen kan worden (en dus het eiwit niet geproduceerd kan worden), ontstaat er een pseudo-gen. Dit is ook het geval bij het GULO-gen: door een mutatie is het werkende gen veranderd in een pseudo-gen.

Om nu de gelijkenis van het gen te toetsen, moeten we de sequenties met elkaar gaan vergelijken. Dit is in theorie voor iedereen mogelijk omdat de genetische informatie van aardig wat dieren via het internet toegankelijk is. Hier is een overzicht te vinden van de 165 letters die het GULO-gen vormen. Omdat het een vrij kort gen is, is met de hand na te gaan hoe identiek de sequenties zijn. Daaruit blijkt (tel en reken het gerust na) dat de sequentie van de mens voor 97.6% identiek is aan die van de chimpansee. Onze sequentie is verder voor 93.9% identiek aan die van de orang-oetan en voor 90.9% identiek aan die van de makaak. Dit is precies het patroon dat je zou verwachten op grond van gemeenschappelijke afstamming: hoe verder geleden de gemeenschappelijke voorouder leefde, hoe minder identiek het DNA is (want er is meer tijd voor het ontstaan van verschillen).

 

cavia (Guinea pig) Cavia porcellus

Maar hoe zit het dan met de cavia? Die heeft immers ook een defect GULO-gen. Op grond van het gangbare afstammingspatroon is niet te verwachten dat het GULO-gen van de cavia erg lijkt op dat van ons, we delen immers geen recente gemeenschappelijke voorouder. Het defecte GULO-gen in de cavia zou dus onafhankelijk moeten zijn ontstaan van het defecte GULO-gen in de primaten. Nog specifieker: het zou uiterst problematisch zijn voor gemeenschappelijke afstamming als de sequentie van ons meer zou lijken op die van de cavia dan op die van de chimpansee, orang-oetan of makaak (die zijn immers nauwer aan ons verwant dan de cavia). Dit blijkt inderdaad ook niet zo te zijn: de sequentie van de cavia lijkt slechts voor 83.0% op die van ons, minder dan welke primaat dan ook.

Wat nog belangrijker is, is de manier waarop de veranderingen verdeeld zijn. Bij het achterhalen van evolutionaire verwantschappen kijkt men namelijk naar gedeelde veranderingen ten opzichte van het ancestrale (voorouderlijke) gen. Dit worden synapomorfieën genoemd en zijn het belangrijkste bij het bepalen van verwantschappen. De mate van overeenkomst in het GULO-gen van de primaten wordt voor een belangrijk deel bepaald door deze synapomorfieën (alle primaten delen er 11, de mens en de chimpansee daarbovenop nog eens 3).

De mate van overeenkomst tussen het GULO-gen van het varken en de muis is bijvoorbeeld ook vrij groot (93.3%), maar wordt nagenoeg alleen bepaald door het feit dat beide relatief weinig zijn veranderd ten opzichte van het ancestrale gen (er is geen enkele synapomorfie tussen deze dieren). Er zijn overigens wel 6 synapomorfieën tussen de rat en de muis, aangevend dat deze twee samen groeperen (het meest aan elkaar verwant zijn). De veranderingen die het GULO-gen van het varken heeft ondergaan, zijn veranderingen die alleen voorkomen in zijn eigen soort. Dit worden autapomorfieën genoemd en autapomorfieën alleen zijn niet voldoende om evolutionaire verwantschappen te bepalen. Aangezien varkens en muizen geen synapomorfieën hebben in het GULO-gen, is er geen redenen om ze met elkaar te groeperen (ze zijn niet het nauwst verwant aan elkaar).

Het is belangrijk te beseffen dat er geen functionele redenen zijn voor deze overeenkomsten en synapomorfieën, het gen is immers zowel bij de primaten als bij de cavia defect. Toch lijkt dat van de primaten sterk op elkaar en is dat van de mens en de chimpansee bijna identiek. De veelgehoorde creationistisch ‘verklaring’ “God heeft de genen vanwege functionele redenen zo sterk gelijkend geschapen” gaat hier dus niet op. God schept geen defecte, nagenoeg identieke genen, dunkt me. Daarnaast is het ook goed te beseffen dat de evolutionaire voorspelling hier erg concreet en precies is: als onze sequentie meer zou lijken op die van de cavia dan op die van de chimpansee, zou dat een groot probleem vormen voor gemeenschappelijke afstamming.

Op grond van gemeenschappelijke afstamming zijn concrete en precieze voorspellingen te doen die empirisch toetsbaar zijn. De creationistisch ‘verklaring’ van ‘gemeenschappelijke schepping’ doet daarentegen geen concrete en precieze voorspellingen en is ook niet empirisch toetsbaar. Dat onderscheidt wetenschap van pseudo-wetenschap, de evolutiebiologie van creationisme.

Dit gedeelde pseudo-gen is natuurlijk een doorn in het oog van creationisten. Een aantal creationisten hebben dan ook geprobeerd om dit bewijs te ontkrachten. Op deze pogingen zal ik binnenkort in een volgend stuk op deze weblog terugkomen.

Referenties

Nishikimi, M., Kawai, T., Yagi, K. (1992). Guinea pigs possess a highly mutated gene for L-gulono-gamma-lactone oxidase, the key enzyme for L-ascorbic acid biosynthesis missing in this species. J Biol Chem, 267(30):21967-72.

Nishikimi M, Fukuyama R, Minoshima S, Shimizu N, Yagi K. Cloning and chromosomal mapping of the human nonfunctional gene for L-gulono-gamma-lactone oxidase, the enzyme for L-ascorbic acid biosynthesis missing in man. J Biol Chem. 1994 May 6;269(18):13685-8.

Ohta, Y., Nishikimi, M. (1999) Random nucleotide substitutions in primate nonfunctional gene for L-gulono-gamma-lactone oxidase, the missing enzyme in L-ascorbic acid biosynthesis. Biochim Biophys Acta, 1472(1-2):408-11.

De seqentie van de cavia komt uit: Nishikimi, M., Kawai, T., Yagi, K. (1992).
(In het document: c. porcellus = cavia)

 

Posted by Gert Korthof at 08:55:18 | Permanent Link | Comments (4) |

Thursday, January 10, 2008

Fouten in het boek van Pim van Lommel (3)


Geheugen
In deze blogpost beperk ik mij tot het geheugen. "Hoe verklaart men het korte- en langetermijn geheugen? Hoe en waar in de hersenen zou deze bijna oneindige hoeveelheid informatie opgeslagen liggen?" vraagt Pim Van Lommel zich af in zijn boek 'Eindeloos bewustzijn' (Hfdst 9 'Wat weten wij van de functie van de hersenen'?, p.182). Zijn antwoord:
"Het is nog steeds een onbewezen hypothese dat bewustzijn en herinneringen exclusief in onze hersenen worden geproduceerd en opgeslagen. Er zijn al tientallen jaren pogingen gedaan om herinneringen en bewustzijn in de hersenen te lokaliseren, maar dit is tot nu toe niet gelukt en het is nog maar de vraag of het ooit zal lukken." (pag 173)
Onbewezen? Pogingen gedaan? Dit is de grootste en ernstigste wetenschappelijke blunder die ik tot nu toe ben tegengekomen. Wat Van Lommel hier beweert over het geheugen is lijnrecht in strijd met een hele tak van wetenschappelijk onderzoek, de moleculaire biologie van het geheugen, waarvoor Arvid Carlsson, Paul Greengard en Eric R. Kandel in 2000 de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde hebben ontvangen (zie hier de beschrijving op de offiële site van het Nobel commitee). Daar kunnen we lezen dat Eric Kandel "has demonstrated how changes of synaptic function are central for learning and memory. Protein phosphorylation in synapses plays an important role for the generation of a form of short term memory. For the development of a long term memory a change in protein synthesis is also required, which can lead to alterations in shape and function of the synapse" (4).
In Search of MemoryEric Kandel krijgt een Nobelprijs in het jaar 2000 voor zijn ontdekking van het moleculaire mechanisme van hoe het vluchtige korte termijn geheugen wordt omgezet in het stabiele lange termijn geheugen. In 2007 beweert Pim van Lommel dat het 'een onbewezen hypothese is dat herinneringen exclusief in onze hersenen worden geproduceerd'. Ik kan me geen grotere wetenschappelijke blunder voorstellen dan beweren dat het onderzoek dat met een Nobelprijs bekroond is, onmogelijk waar kan zijn. Dit soort onderzoek doe je niet even in een paar jaar. De aanzet ligt in de jaren zeventig en begon in de jaren 80 gebruik te maken van moleculair-genetische technieken (recombinant-DNA), dat leidde tot de ontdekking van genen en eiwitten die betrokken zijn bij de vorming van het lange termijn geheugen. En dit soort onderzoek doe je ook niet in je eentje. Typerend voor Kandel is dat hij zich omringt met toponderzoekers, waarvan sommige ook een Nobelprijs hebben gekregen. Al deze ontdekkingen werden niet alleen beschreven in gespecialiseerde vaktijdschriften, maar ook in populair-wetenschappelijke boeken zoals 'Memories are made of this. The Biological Building Blocks of memory' van Rusiko Bourtchouladze (2002) en met name 'In Search of Memory: The Emergence of a New Science of Mind' (2006) van Eric Kandel zelf (1).

Computerdeskundige
Niet gehinderd door deze kennis, komt Van Lommel met het volgende bewijs:
"Simon Berkovitch, een computerdeskundige, heeft echter ook berekend de hersenen ondanks deze enorme aantallen synapsen toch volstrekt onvoldoende capaciteit hebben om de opslag van al onze herinneringen van ons hele leven met bijbehorende associatieve gedachten en emoties mogelijk te maken."(p.182)
Dat een cardioloog een computerdeskundige opvoert als expert op het gebied van de geheugenopslagcapaciteit van de menselijke hersenen is opmerkelijk, maar ik vind het uitermate symptomatisch dat Van Lommel de zeer revolutionaire conclusie zonder enige aarzeling als gezaghebbend accepteert. Verder haalt Van Lommel ook nog de neurobioloog Herms Romijn aan die 'heeft aangetoond dat de opslag van alle herinneringen in de hersenen anatomisch en functioneel onmogelijk is" (p.182). Als je dan de betreffende publicatie (2) opzoekt, dan blijkt dat Romijn een hypothese introduceert en een experimentele strategie beschrijft om die hypothese te testen. Verder komt er in de samenvatting en in de Keywords van het artikel het woord 'memory' helemaal niet voorkomt. De samenvatting van het artikel spreekt over de subjectieve bewuste ervaring van 'pain and pleasure, or perceiving colours'. Dit ziet er niet uit als een artikel dat tot doel heeft te 'bewijzen' dat de opslagcapaciteit van de hersenen onvoldoende is. Het lijkt eerder om een terloopse opmerking te gaan.

short-term and long-term memory

Hoe die berekening er ook uit moge zien, hij is irrelevant geworden doordat Eric Kandel en vele medewerkers hebben gevonden hoe lange termijn geheugen wordt opgeslagen. Bovenstaand plaatje uit Kandel (2007) laat zien dat het vastleggen van lange termijn geheugen gepaard gaat met anatomische veranderingen (groei van nieuwe synaptische verbindingen). Dit zijn dus harde lokale wijzigingen in tegenstelling wat Van Lommel theoretiseert over non-lokale geheugen opslag. Degenen die met concrete bewijzen van de materiele basis van geheugen komen, hebben méér bereikt dan degenen die met onbewezen hypothesen en theoretische berekeningen komen.

Groot mysterie
Zelfs als je geen verstand hebt van biologie, dan moet het feit dat het werk van Kandel en collega's bekroond is met een Nobelprijs toch een indicatie zijn voor toponderzoek. Het ironische van de zaak is dat wetenschappers als Eric Kandel precies dezelfde vragen als Van Lommel stellen: "Hoe verklaart men het korte- en langetermijngeheugen? Hoe en waar in de hersenen zou deze bijna oneindige hoeveelheid informatie opgeslagen liggen?" (p.182). Van Lommel concludeert dat het brein "een geheimzinnig orgaan" is, en de relatie hersenen en bewustzijn "nog een groot mysterie is" (p.190). Het verschil is dat Van Lommel deze vragen voor onoplosbaar verklaart en Eric Kandel ze oplost.

Exclusief
Ik wil de lezer nog de aandacht vragen voor een merkwaardige kwalificatie, nl. het woord 'exclusief' in het openingscitaat: "Het is nog steeds een onbewezen hypothese dat bewustzijn en herinneringen exclusief in onze hersenen worden geproduceerd en opgeslagen". Hij lijkt hier rekening te houden met het feit dat tenminste een deel van het geheugen lokaal in de hersenen opgelagen ligt. Maar als het aangetoond is dat geheugen gelocaliseerd is in de hersenen, -en dat doe ik in navolging van mainstream science-, dan is het zeer problematisch als Van Lommel met een geheugen en bewustzijn aan komt zetten, dat niet aansluit bij dat fysiek in de hersenen vastgelegd geheugen. Van Lommel is sowieso onbekend met de materiële basis van geheugen, laat staan dat hij is toegekomen aan het uitleggen hoe zijn niet-gelocaliseerde geheugen aansluit bij het gelocaliseerde geheugen. Laat staan dat hij een poging heeft ondernomen om aan te tonen dat de resultaten van cognitieve neurobiologen (zoals Eric Kandel) fout zijn.

Inconsistenties
Een ander probleem waarmee Van Lommel de lezer confronteert is inconsistentie van beweringen. Lezen we op pagina 173 dat het een onbewezen hypothese is dat de hersenen herinneringen opslaan, op pagina 183 lezen we dat Alzheimer patienten op den duur hun familieleden niet meer herkennen. Van Lommel weet dus dat schade in de hersenen tot geheugenverlies (d.w.z. langetermijn geheugen) leidt. Als je merkt dat feiten in strijd zijn met de claims die je eerder gedaan hebt, zeg dat eerlijk en duidelijk en ga niet van onderwerp veranderen in de trant van: 'ja, maar mentale en emotionele processen zijn niet te herleiden tot hersenprocessen' (p.184). Dat was de vraag niet. Het ging over het geheugen van Alzheimer patienten. Nuanceer je beginclaim. Als er geen consistent standpunt is, is het voor de lezer moeilijk argumenteren met Van Lommel. Hij overziet zijn eigen standpunten niet, springt van de hak op de tak, en wisselt en passant van vraagstellling.

Creationisten
De claim dat de wetenschap nog niet heeft aangetoond dat alle geheugen in de hersenen wordt opgeslagen, lijkt erg op de claim van creationisten (3): "evolutionisten hebben niet aangetoond dat alle complexe structuren ontstaan zijn door mutatie en natuurlijke selectie". Het is ondoenlijk en daarom onredelijk om te eisen dat wetenschappers aantonen dat alle geheugen in de hersenen is vastgelegd. Ze hebben overtuigend aangetoond dat zeer diverse experimenten bij mens en dier er op wijzen dat verschillende vormen van geheugen in de hersenen worden opgeslagen. Van Lommel zal met bewijsmateriaal voor zijn bewering moeten aankomen dat even solide is als dat van de neurobiologen. Termen als 'mysterie', 'geheimzinnig' treffen we aan bij Intelligent Designers en creationisten. Die termen treffen we ook bij Van Lommel aan (zie ook noot 3). Ik zeg niet dat Van Lommel een creationist is. Wel dat hij dezelfde slordige manier van werken heeft: het opvoeren van grote hoeveelheden suggestief maar oppervlakkig 'bewijsmateriaal' dat niet kritisch wordt beoordeeld en het negeren van grote delen van mainstream wetenschap.

Ongenuanceerd
Om het onderwerp van deze blogpost af te perken heb ik me beperkt tot het geheugen, en uitsluitend het geheugen van een normaal functionerend brein. Niet over het functioneren van de hersenen onder extreme zuurstof-arme omstandigheden bij Bijna-Dood ervaringen. Het geheugen komt voor in het hoofdstuk 9 'Wat weten wij van de functie van de hersenen?'. Maar zelfs wanneer Van Lommel zich met de normale functie van de hersenen bezighoudt, neemt hij al zeer controversiele standpunten in. Waarom?
Tenslotte: in zijn claim (in rood bovenaan deze post) noemt Van Lommel geheugen en bewustzijn in één adem. Hij maakt geen onderscheid. Dat heb ik bewust niet gedaan. Het nadeel is dat die (rode) claim zich niet laat nuanceren. Van Lommel kan immers niet meer zeggen 'het is een goed bevestigde hypothese dat het geheugen opgeslagen wordt in de hersenen, maar dat het bewustzijn door de hersenen geproduceerd wordt is een onbewezen hypothese'. Daarom is het een ongenuanceerde claim.


Noten
  1. Het boek van Kandel is 510 pagina's, zeer gedetailleerd, bevat zowel biografische als wetenschappelijke details en vele illustraties. Moet ik echt een boek van een Nobelprijswinnaar aanbevelen? Het boek van Bourtchouladze is 232 pag. en iets 'lichter verteerbaar'. Bij het lezen van Kandel valt mij keer op keer op dat hij zich steeds omringt met de beste medewerkers die technische know-how met zich meebrengen. Ook dat is volgens mij een deel van zijn succes.
  2. H. Romijn (2002) "Are virtual photons the elementary carriers of consciousness?'', Journal of Consciousness Studies, 9, 61-81. Het tijdschrift is niet echt gangbaar, het is geen papieren tijdschrift, het is alleen in electronische vorm beschikbaar in Nijmegen en Amsterdam.
  3. Op pagina 186 haalt Van Lommel het boek 'The Spiritual Brain. How neuroscience is revealing the existence of the Soul' (2007) aan. Het is geschreven door M. Beauregard en O'Leary. Merkwaardigerwijs schrijft Van Lommel 'In zijn boek' daarbij O'Leary weglatend. Correct zou natuurlijk zijn: 'in hun boek'. O'Leary is verbonden aan het 'Discovery Institute', de club van de Intelligent Design beweging in Amerika (Michael Behe, William Dembski, Philip Johnson). O'Leary heeft samen met Dembski een weblog: Uncommon Descent. Een vernietigende kritiek op het boek is verschenen op het Pharyngula blog. Van Lommel weet dit misschien niet, of hij weet het wel en probeert haar weg te poetsen.
  4. Autobiography Eric R. Kandel staat op de site van het Nobel commitee. Het is op te vatten als een samenvatting van zijn boek. Hij ontving de Nobel Prijs Physiology/Medicine in 2000 samen met nog twee anderen. Op deze pagina staat keurig uitgelegd op basis van welk onderzoek ze hun prijs verdienden (dus als je het boek niet hebt...). Tegenwoordig met het internet is informatie zo makkelijk beschikbaar.
Naschrift: Eric Kandel en Larry Squire (2001) 'Geheugen: van moleculen tot geest' dat is uitgegeven bij Natuur en Techniek. Dus zelfs in Nederlandse vertaling is het werk van Kandel toegankelijk gemaakt. Pim van Lommel heeft het niet gelezen. In de Scientific American Library is het boek Memory: From Mind to Molecules van Larry R. Squire en Eric R. Kandel (2000) verschenen.
Posted by Gert Korthof at 09:00:27 | Permanent Link | Comments (22) |

Wednesday, January 09, 2008

Ethiek en evolutie

Vanaf het moment dat Charles Darwin in 1859 zijn boek On the Origin of Species publiceerde, is er gespeculeerd over de vraag of de evolutietheorie een nieuw licht kan werpen op de menselijke moraal. Terwijl filosofen zoals Spencer of Nietzsche normatieve conclusies trokken uit evolutionaire visies op de mens, die niet zonder invloed bleven in de politiek, verwierp G. E. Moore dergelijke gevolgtrekkingen in zijn Principia Ethica (1903). Ook in de twintigste eeuw is deze discussie telkens weer opgelaaid, bijvoorbeeld naar aanleiding van de sociobiologie van Edward Wilson. Is het neo-Darwinisme een betere basis voor de ethiek dan het Christendom of de Islam?

Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Hij is jurist en begenadigd spreker. Zijn onderzoeksgebied beslaat met name de kennistheorie en de hedendaagse wijsbegeerte. Een trimester per jaar geeft hij college te Oxford.

In acht colleges van 12 feb tot 8 april zal hij verschillende aspecten van het thema ethiek en evolutie aan de orde stellen. Aan bod komen onder andere cultuurgeschiedenis, speltheorie, antropologie, evolutiebiologie en wijsbegeerte. Daarnaast bespreekt Philipse de belangrijkste denkers op dit gebied.

Zie: programma Ethiek en Evolutie (Studium Generale Utrecht).


Posted by Gert Korthof at 08:32:54 | Permanent Link | Comments (0) |

Tuesday, January 08, 2008

Pim van Lommel over hersenen en bewustzijn

gastbijdrage Martin van Staveren

In hoofdstuk 12, 'Hersenen en bewustzijn', van het boek 'Eindeloos bewustzijn' gaat Van Lommel ervan uit, dat een puur materialistische verklaring van het bewustzijn principieel niet mogelijk is. Hij verwijst ter ondersteuning van deze positie onder andere naar “Conciousness and its place in Nature” van de filosoof Chalmers. Daarin staan argumenten tegen de materialistische positie. Die argumenten zijn allemaal van het type: we kunnen ons niet voorstellen dat een materialistische verklaring van het bewustzijn mogelijk zal zijn, derhalve is de materialistische positie fout. Dat klinkt een beetje als het inference filter van Dembski: als we ons geen naturalistische verklaring kunnen voorstellen, dan is bewezen dat een naturalistische verklaring niet mogelijk is. Dat soort “argumenten” is wetenschappelijk gezien van generlei waarde, maar wie graag denkt dat het bewustzijn niet-materialistisch, of niet-naturalistisch is, kan dat natuurlijk doen.

Ook in dit hoofdstuk komen “kwantummechanische” noties, althans zoals van Lommel die begrepen meent te hebben, ook weer voor. Op pagina 246 heet het

“Ik noem deze golffuncties in de non-lokale ruimte met zowel persoonsgebonden als universele informatie het non-lokale bewustzijn. In deze benadering heeft het bewustzijn dus geen materiële basis … De terminologie die ik thans gebruik is wel gewijzigd. De term faseruimte is vervangen door de (meer algemeen geaccepteerde term) non-lokale ruimte, en de term informatieve velden van bewustzijn is vervangen door non-lokaal bewustzijn omdat non-lokale verschijnselen eigenlijk niet als een veld beschreven mogen worden … De non-lokale ruimte is in dit model meer dan een rekenkundige beschrijving; het is een metafysische ruimte waarbinnen het bewustzijn invloed kan uitoefenen, omdat de non-lokale ruimte ook subjectieve eigenschappen (bewustzijn) bezit. Bewustzijn is in deze opvatting dus non-lokaal en functioneert hierbij als oorsprong of basis van alles. Dus ook van de materiële wereld”

In hoofdstuk 11 suggereert van Lommel dat de faseruimte uit de statistische mechanica - zie http://en.wikipedia.org/wiki/Phase_space - een “non-lokale ruimte” zou zijn, wat onbegrijpelijke frasologie is. De non-lokaliteit zoals die uit de fysica bekend is wordt door van Lommel gegeneraliseerd naar een soort van algemene non-lokaliteit. Dat doet nogal denken aan theologische beelden als dat God en hemel zich “buiten tijd en ruimte” zouden bevinden. Dus van Lommel gebruikt terminologie die aan de kwantummechanica doet denken, althans in de oren van kwantumleken, om een soort theologische notie van bewustzijn een wetenschappelijk aura te verlenen. Omdat het mij een raadsel is wat een “non-lokale ruimte”, kan ik met dit soort argumenten niets beginnen.

Vanaf pagina 249 gaat het over parapsychologische denkbeelden waarin een mengsel van wetenschappelijke terminologie, zoals spins en fMRI (functionele Magnetic Resonance Imaging) met van Lommel’s versie van kwantumterminologie gepresenteerd wordt om een, naar mijn mening, nogal esoterisch beeld van bewustzijn te ontwerpen. Op pagina 252 komt de volgende zin voor:
”Speculatief gezien bestaat de mogelijkheid dat het bewustzijn in de non-lokale ruimte gekoppeld is aan .. het elektromagnetische veld dat verbonden is met het zenuwstelsel en de hersenen”.
Volgens mij probeert van Lommel hier te formuleren hoe, tenminste als speculatief bestaande mogelijkheid, het bewustzijn aan de hersenen verbonden zou moeten zijn. Daartoe dient er dan dus een “koppeling” tussen het reëel existerende EM veld in de hersenen met de “non-lokale ruimte” verondersteld worden. Ik kan mij daar niets bij voorstellen.

Op pagina 255 komt ook de Fouriertransformatie op de proppen, evenals virtuele fotonen. Daar staat dat

“De wederzijdse informatieoverdracht tussen non-lokaal bewustzijn uit de non-lokale ruimte en de hersenen … zou ook kunnen berusten op kwantumspincoherentie die tot stand komt onder invloed van (virtuele) fotonen. Maar deze informatieoverdracht kan alleen worden verklaard door het feit dat de hersenen in staat zijn een Fourier-transformatie uit te voeren. Dat de hersenen daartoe in staat zijn is bewezen doordat deze transformatie ook aan de basis ligt van het effect van kernspinresonantie bij de totstandkoming van een afbeelding van de hersenen tijdens een MRI-onderzoek”
. Wat daar staat, mag Joost weten. MRI is een bekende techniek. In NMR (Nuclear Magnetic Resonance) ligt de patient (of iets anders) in een statisch magnetisch veld, waardoor de protonen (die hebben een spin ½, dus een magnetisch moment) in de patient een beetje in de richting van het magneetveld gericht worden: de spins gaan precederen rond de magneetveldrichting, een beetje als een priktol. Als er dan op de goed RF frequentie op de spins wordt ingestraald, dan worden de spins van die richting weggeklapt. Door het aanleggen van andere magneetvelden die van de plaats afhangen, krijgen de spins dan fases die plaatsafhankelijk zijn. Door lokale invloeden (de spin kan bijvoorbeeld in normaal weefsel of in tumorweefsel zitten), nemen de spins dan positieafhankelijke informatie op uit hun omgeving. De spins worden dan via RF en magnetische velden gemanipuleerd zodat een spinecho resulteert. Met behulp van Fourier-transformaties kunnen dan doorsneden van bijvoorbeeld protondichtheid, of proton relaxatietijden, gemaakt worden. D