Intelligent Design in de 17e eeuw
Tegenwoordig woedt er in wetenschappelijke kringen (en daarbuiten) een discussie tussen onderzoekers die het idee van een ‘intelligent design’ aanhangen en collega’s die vooral het ‘toevalskarakter’ van de evolutie benadrukken. Minder bekend is dat deze discussie een voorgeschiedenis in de zeventiende en achttiende eeuw heeft. Ook toen hielden de meeste grote en ook minder bekende filosofen, naturalisten en theologen zich met dergelijke vragen bezig. Het zoeken naar aanwijzingen voor orde en ontwerp in de natuur was massief; de discussie over natuurlijke dynamiek was intensief; en de afwijzing van het toeval was obsessief. Promovendus Marinus de Baar bespreekt deze discussie in zijn proefschrift.
Het eerste deel van zijn studie gaat in op ideeën over de Voorzienigheid, fysicotheologie, natuurlijke historie, en het idee van ‘the Great Chain of Being’. Het zet uiteen op welke wijze deze bijdroegen aan het idee van orde in de natuur (zoals teleologisch, functionalistisch, morfologisch, taxonomisch, met nadruk op harmonie, symmetrie en proportionaliteit). Het tweede deel richt zich op ideeën over tijd, verandering en toeval en gaat over de ouderdom van de aarde; over de ontdekking van kosmologische, geologische en biologische dynamiek; en over materialistische en atomistische ideeën binnen de ‘Radicale Verlichting’ die min of meer een rol toeschreven aan het toeval van samenklonterende materiedeeltjes in de wording van de werkelijkheid. Het huidige debat over ‘intelligent design’ geeft aan dat vraagstukken zoals die in het proefschrift aan bod komen, nog weinig aan actualiteit hebben ingeboet.
Marinus de Baar (Ovezande, 1953) studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de faculteit Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen. (mijn cursivering)
Interessant is o.a. de opmerking ‘afwijzing van het toeval was obsessief‘. Je ziet dat bij mensen als Cees Dekker en Michael Behe (ook nog in zijn laatste boek). Het bijzondere is dat die afwijzing niet gebaseerd is op kennis van zaken, maar op een diepe emotionele drijfveer en een intuitief idee berust en niet op een zakelijke analyse van de verschijnselen.
“Behalve David Hume, heeft ook Kant het idee dat er een God achter de schepping moest zitten, heel effectief bestreden. Hun belangrijkste argument was dat het niet mogelijk was om van een natuurlijk gevolg (een dier of een orgaan) naar een bovennatuurlijke oorzaak (God) te redeneren. Uit waarnemingen van de wereld om je heen kun je niet zomaar conclusies trekken over iets bovennatuurlijks. (…) Toch maakte het werk van Kant en Hume nog lang geen einde aan de discussie.” (Volkskrant, 1 dec 07).
Het is een interessant proefschrift. Helaas is het Volkrant artikel niet online beschikbaar. Het zou de moeite waard zijn om een handelseditie van het proefschrift uit te geven.

– Gert, ik heb al eerder verwezen naar “Het Boeck der Natuere”, een proefschriftbewerking van Eric Jorink. Het is inderdaad een fascinerend onderwerp. Er waren twee Boeken: de Bijbel, dat gewoon gelezen kon worden, en het Boek der Natuur, dat ook “gelezen” kon worden als werk van de Schepper. Zoals Kees Fens zei”: “de luis onder de miscroscoop verkondigt Gods glorie”.
– Martin, je hebt gelijk. Over de luis: Natuurhistorisch Museum Rotterdam is op zoek naar schaamluizen om dat het traditionele milieu van de schaamluis aan het verdwijnen is. Ja, je hebt alweer gelijk: god heeft de natuur perfect geschapen inclusief de schaamluis.
– Gert, waarschijnlijk komt het proefschrift binnenkort wel on-line te staan via DAREnet (www.darenet.nl -> proefschriften). Houd dat dus even in de gaten als je toegang wilt tot het complete proefschrift.
– gert korthof, ja dat over die schaamluizen was uitgebreid in het nieuws. Die verklaring over substantieel biotoopverlies vind ik niet zo geloofwaardig – alhoewel je zoiets natuurlijk niet kunt vaststellen als je zo door het winkelcentrum loopt. Misschien kan een cultureel antropoloog daar eens een proefschrift over schrijven?
– Martin, misschien speelt de toegenomen hygiene, dagelijks douchen met champo, een rol?
– gert, dat dacht ik ook.
– Informatie over mijn wel als “Voorloper van het Intelligent Design debat” getypeerde proefschrift “Order, Change and Chance in the European Perspective on Nature (1600-1800)” -de Nederlandstalige samenvatting bijvoorbeeld- is bij mij aan te vragen via email: mdebaar[apestaartje]hetnet.nl
– Gert en Martin, inderdaad een interessant onderwerp over het verdwijnen van de schaamluis. En hygiëne èn verdwijnen van de biotoop (haar afscheren) kun je in cultureel perspectief benaderen. Overigens is het niet helemaal nieuw dat mensen – ik schaam me ervoor het te schrijven – iets doen met hun schaamhaar: in de Middeleeuwen bestonden er speciale schaamhaarkapsels!
en de Grieken en Romeinen vonden het mooi en esthetisch om het schaamhaar te verwijderen (ff Googlen, ik heb geen boek bij de hand). Maar eh, hoewel het nog lang niet zover is, denk ik dat ik toch maar een ander onderwerp kies voor mijn masterscriptie …
– De afwijzing van het toeval mag dan ‘obsessief’ geweest zijn van 1600 tot 1800, toeval als verklaring wordt nog steeds algemeen afgewezen. Mensen zien liever een patroon in een samenloop van omstandigheden dan toeval. Zie bv een KRO programma als ‘Wonderen bestaan’. Ook bij ziekte bv komen veel mensen met de vraag: ‘waarom moet mij dit overkomen?’ Het antwoord TOEVAL, het is nu eenmaal zo, zo gaat de wereld, is toch voor veel mensen niet verteerbaar.
Wouter van Beek, die ook een KNAW lezing hield in het kader van reeks ‘Geloof en Wetenschap’, doet daar anthropologische studie over. Mensen zoeken overal een patroon in en een verklaring voor: zo te zien een ingebouwde strategie van de hersenen. Meestal is dat een prettige eigenschap, maar hier maakt het een blokkade voor verder denken.
Chris Mollema heeft me een fotocopie van een blz Satenvertaling gegeven, met in Prediker 9:11 als einde van de tekst maar dat tijd en toeval allen dezen wedervaart. Er staat bij ‘toeval’ een voetnoot, waarin oa staat Want Salomo spreekt hier van geen onzeker toeval, maar van zulk, dat door Gd geregeerd wordt. Zoals Chris erbij opmerkt, toeval wordt direct naar de Voorzienigheid toegetrokken.
– Gerdien, Van Woudenberg schreef het interessante boek ‘Toeval en ontwerp in de wereld’ (Damon, 2003). Een aanrader voor mensen die conceptuele moeite hebben met de rol van toeval in natuurlijke processen.
Als je de concordantie er op na slaat, blijkt het woord toeval maar 3x in de Statenvertaling voor te komen. Ik ben benieuwd welke voetnoot er staat onder de tekst in 1 Samuel 6, waar men een ‘empirisch’ onderzoek instelt naar de vraag of een bepaalde gebeurtenis een straf van god is, of gewoon toeval:
8 Neemt dan de ark des HEEREN, en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinoden, die gij Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.
9 Ziet dan toe, indien zij den weg van haar landpale opgaat naar Beth-semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.
De derde plek waar toeval is genoemd (naast prediker 9 dus) is Deuteronomium 23, waar het woord ‘toeval’ een wat wazige aanduiding is.
– Maar als we allemaal toeval zouden accepteren en niet zouden zoeken naar verklaringen en patronen, zou er dan niet veel minder overblijven om te onderzoeken? Is onderzoek nog wel nodig als je denkt dat (vrijwel ) alles toeval is? Wat zou er dan overblijven van de wetenschap?
– Andantinaa, citaat van Ronald Meester op
http://home.tiscali.nl/sttdc/jrg8_nr4_p1427.htm
“Bestaat toeval?
We zien dus dat er een duidelijk verschil is tussen de natuur van zogenaamd toevallige verschijnselen enerzijds, en de wiskundige modellering daarvan anderzijds. Niemand weet wat we met het woord toeval precies bedoelen. Bestaat toeval eigenlijk wel? Dit is een vraag waar filosofen, wiskundigen, theologen, biologen, natuurkundigen en vele anderen zich al heel lang mee bezig houden. In dat licht bezien past de nodige bescheidenheid wanneer ik u vertel dat naar mijn mening de vraag of toeval bestaat geen zinvolle vraag is. Dit moet ik uiteraard toelichten.
Een wetenschappelijke benadering van de vraag of toeval bestaat, vereist dat we toeval uiteindelijk werkbaar definiëren. En dat kan ik niet. Probeer het maar eens. Wellicht iets als ‘twee gebeurtenissen die optreden en waartussen geen causaal verband bestaat’? Een aardige poging, maar ik zou niet weten hoe je dat zou moeten nagaan, want wanneer is er sprake van causaal verband? Met een dergelijke definitie kunnen we nooit beslissen of een bepaalde gebeurtenis toevallig is of niet. Of je nu materialist, theïst, atheïst, christen, baha’i, humanist of wat dan ook bent, niemand kan beweren dat hij of zij begrijpt hoe deze wereld werkelijk in elkaar steekt. Wat de één blind toeval noemt, noemt de ander de hand van God, en waar de één toeval ziet als bewijs van een goddeloos universum, ziet een ander toevallige gebeurtenissen juist als manifestaties van het Goddelijke. Daar komen we niet uit. Dit is trouwens in overeenstemming met de moderne kwantumfysica, en ik denk tussen haakjes dat dit niet een voorbeeld is van leentjebuur spelen. De kwantumfysica stelt duidelijk dat de vraag of toekomstige ontwikkelingen toevallig zijn of al vastliggen, empirisch onbeslisbaar is. We komen nu aan onze volgende belangrijke conclusie: Elke uitspraak die het bestaan van toevallige gebeurtenissen erkent of verwerpt is in beginsel een zinledige uitspraak, aangezien we niet weten wat toeval is.
Binnen het abstracte raamwerk van de wískunde zijn kansen op gebeurtenissen daarentegen wél goed gedefinieerd. Als een gebeurtenis met een hele kleine kans toch optreedt in een wiskundig model, dan kunnen we met enig recht zeggen dat dat toeval is. Elke wiskundige met enige kanstheoretische kennis weet precies wat we daarmee bedoelen. Als wiskundige kun je dus zeker werken in wiskundige modellen waarin toeval een rol speelt. Daarbij vervangen we onze dagelijkse onzekerheden door wiskúndige kansen. Ik vermoed dat wanneer wij over toeval praten, we in feite een wiskundig kader voor ogen hebben. Denk bijvoorbeeld maar aan een rad van fortuin. Voor we aan het rad draaien hebben we het draaien al gemodelleerd, en de uitspraak dat de succeskans bijvoorbeeld 1/100 is, is een uitspraak binnen dat model. Hetzelfde gebeurt bij het gooien met een dobbelsteen. En als we de gebeurtenis met het kerkkoor niet bijzonder noemen, dan doen we dat ook binnen het model dat we voor deze gelegenheid in gedachten hebben. “
Daar waar wetmatigheden gelden, is geen sprake van echt toeval.
– Martin, Zoiets schrijft Meester ook in zijn boek Het Pseudoniem van God. In de biologie wordt “toeval” op een aantal verschillende manieren gebruikt. Bij de wetten van Mendel heb je een helder geval met een duidelijke toevalsverdeling, en als Meester zegt: Ik vermoed dat wanneer wij over toeval praten, we in feite een wiskundig kader voor ogen hebben, dan zal hij het over zulke gevallen hebben. In de biologie heb je ook gebeurtenissen die geen ‘wiskundig kader’ hebben, geen enkele relatie met een achterliggende verdeling die we daar mee in verband zouden kunnen brengen. Dan denk ik aan een familie muizen op Gough eiland die albatros kuikens gaat eten. Niet alle muizen op dat eiland, een familie; en niet op andere Antarctische eilanden (voor zo ver bekend). Zoiets heet toeval, en zulke zaken komen al met al vaak voor. Dus, toeval in de zin van ‘coincidence’, ‘contingency’: eenmalig, niet herhaalbaar. Net als mutaties: er is een wiskundige toevalsverdeling hoe mutaties van een bepaald type optreden, waar etc; het effect van mutaties heeft niet met een toevalsverdeling te maken, maar is niet of nauwelijks te voorspellen. Hier zit Meester in de knoei met zijn voor de biologie veel te wiskundige begrip toeval.
– Gerdien, je hebt electronische Pseudo-Noise, oftewel PN-generatoren. Die worden b.v. in de statistische mechanica gebruikt voor Monte-Carlo simulaties, en als ruissimulatoren om filters enzo te testen. Een goede PN-generator levert een serie van “1″ en “0″ bits, waar geen patroon of correlatie in valt te ontdekken als je het generatie algorithme niet kent. Dat is ook het principe van data scrambling. Dus ogenschijnlijk random processen kunnen een onderliggend deterministisch algorithme hebben. Dat bedoelt Meester, denk ik. Maar inderdaad, als er geen enkele aanwijzing is voor zo’n algorithme, en als alles eruit ziet alsof het eenmalig of random is, dan is het een wetenschappelijk irrelevante vraag of er een diepere deterministische laag is.
– Martin, Bij aantalsregulatie van beesten komen dergelijke situaties als pseudo-toevals reeksen ook voor. Als er te sterk op aantallen gereguleerd wordt, krijg je wat heet ‘chaos’. Op het eerste gezicht is er geen regel, maar in feite is er een eenvoudige recurrentie vergelijking van de aantallen. Dat soort dingen wordt onderkent (en er zijn discussies over).
Waar het me om gaat zijn zaken als de bovengenoemde muizen op Gough eiland, of een insectensoort die op een van de eilanden van de Azoren asexueel blijkt, maar op de andere eilanden niet.
– Martin, “Een goede PN-generator levert een serie van “1″ en “0″ bits, waar geen patroon of correlatie in valt te ontdekken als je het generatie algorithme niet kent”.
Is dit nu wel of niet een random serie? Als het pseudo-noise is, dan is het kennelijk geen random serie. Als je het algorithme wel kent, kun je er dan wel een patroon in vinden? Zoja, dan is het niet random. Je term ‘goede PN-generator’ suggereert ‘echte pseudo-noise’. Dus je hebt ‘pseudo-pseudo-noise’ en echte pseudo-noise! Dus: kun je nu wel of niet een random reeks genereren? [Dit is off-topic, en is toegestaan door de moderator]
– gert, een PN-generator heeft een zgn. repetition length: na een tijdje begint de serie opnieuw. Je kunt dus proberen zo’n sequence te hacken door naar zo’n herhaling te zoeken. Een PN-generator met een korte herhalingslengte is natuurlijk gemakkelijker te hacken dan eentje met een lange herhalingslengte. In veel toepassingen gaat het er om, om randomness te hebben die random genoeg is voor de toepassing. Je kunt met een goede PN generator een leuke computerprogramma schrijven voor de Postcode loterij
.
Overigens is randomness in Bayesiaanse zin – daar ben ik weer – ook een interessant onderwerp: daar betekent het niet meer dan dat we een variabele met een waarschijnlijksheidsverdeling beschrijven. In het bekende boek van Jaynes ( http://bayes.wustl.edu/) wordt dit besproken. Jaynes maakt zich kwaad over het gedoe met “fuzzy logic”, wat volgens hem niets anders dan Bayesiaanse probability is, waarin je een waarschijnlijkheidsverdeling kunt toewijzen aan een enkele gebeurtenis, wat in de geaxiomatiseerde frequentistische waarschijnlijkheidsleer betekenisloos is. B.v. zal het morgen regenen of niet in plaats X? Nu zeggen! Als je zegt dat de kans daarop 70% is, dan spreek je over kans als in een weddenschap, omdat je bij een weddenschap zou inzetten op basis van die (subjectieve) waarschijnlijkheid – in de frequentistische benadering kun je over zo’n waarschijnlijkheid niet spreken, omdat het maar 1 keer 7 dec. 2007 is.
– Gerdien, betekent dat dat het op dit moment gissen is wat die situaties bij de muizen en de insecten veroorzaakt heeft? Dat zou lijken op wat Meester zegt. Meester geeft het voorbeeld van causaliteit: hoe stel je afwezigheid van een causaal verband vast? Alweer Bayes: alles hangt af van de judgement die je op basis van ervaring en waarnemingen zou nemen als je erom zou wedden. Als je in de praktijk nul euro zou inzetten omdat je werkelijk geen idee hebt, dan heb je eigenlijk ook geen judgement, en daarmee moet je het dan doen – er zijn nu eenmaal onzekerheden, c’est la condition humaine (et animale). Geloof is imho gebaseerd op de weigering om dit te accepteren.
– Martin, waarom is er een zgn. repetition length? wat bepaalt dat? hoe groot is die? Als er een zgn. repetition is dan kan iedereen dat makkelijk ontdekken zonder dat je het algorithme hoeft te kennen. Is er binnen de zgn. repetition length géén patroon te vinden, dwz is dat truly random?
– gert, zie hier (als je het leuk vindt): PN Sequence Generator. Het gaat om “maximal length sequences” en LFSR’s. De vraag is ook, hoe je “randomness” definieert, dwz. hoe je het wilt meten; b.v. in termen van correlaties. Er zijn ook fysische randomgeneratoren, b.v. je quantiseert de ruis over een weerstand, of je timed het het klikken van een Geigerteller bij een radioaktieve bron. Bij een PN generator wordt de LFSR opgestart met een beginpatroon (een seed), en je zou kunnen kijken of dingen die je met de PN sequence doet afhangen van de seed, etc. Daar wordt wel onderzoek naar gedaan, waarbij dat soort vragen die Meester stelt eigenlijk niet belangrijk zijn – die vragen zijn een beetje als: als de tank van mij auto leeg is, betekent dat dan dat er helemaal geen benzine meer in zit – dwz. wat betekent “leeg”?
Andantinaa,
Over evolutie en de oorsprong van de mens is er nog één invalshoek die meestal ontbreekt. De kentheoretische grondslag wordt meestal niet expliciet uitgesproken. Alles wat we onderzoeken, alle wetenschap, elke waarneming hangt samen met de manier zoals we denken. Het denkinstrument is het eerste dat onderzocht moet worden op zijn werking, zodat onbewuste, onnodige en hardnekkige denkfouten vermeden kunnen worden. Is het denkinstrument in orde, dan kunnen we met meer vertrouwen de totale ontwikkelingsgang opnieuw (ja, nogmaals!) beschouwen en onbevangen de hedendaagse discussie voeren. Dit alles met het oog op een toekomst die werkelijk heel anders zal zijn dan het verleden …
Kentheoretische fragmenten (Uit geselecteerd Archief: wetenschapstheorie)
1. Marinus de Baar vraagt zich af waar het onderscheid ligt tussen weldenkende mensen en weldenkende computers. Hij vraagt zich dit af omdat hij een boek bespreekt dat laat zien dat dit soort vragen al eeuwen een rol spelen binnen de wetenschap(stheorie). Rond 1800 ging het om het onderscheid tussen mens en dier: is het dier een machine? Descartes dacht van wel, maar er blijft dan een probleem over: hoe is het mogelijk dat dierlijke bewegingen intelligent en haast bezield lijken? Wat is het verschil tussen mens en dier?
Wie kunstmatige intelligentie in supercomputers wil bestrijden zal het fenomeen ‘bewustzijn’ scherp definiëren, maar loopt het risico zichzelf zover in te perken dat dit soort bewustzijn alleen bij zichzelf nog is aan te tonen: men zit dan met deze redenering in zichzelf opgesloten (solipsisme).
Wie het verschijnsel ‘bewustzijn’ erg ruim opvat en dit ook toeschrijft aan ‘zelfdenkende machines’ zoals thermostaten, rekenmachines, computers, die neigt naar panpsychisme, de albezieldheid van de wereld.
Volgens Marinus de Baar is een belangrijke oorzaak van veel problemen “de zelfreferente aard van ons denken. Om uit te maken wat denken is, heb je dat denken zelf nodig.”
Mogelijk is het verhaal van de baron van Münchhausen volledig van toepassing op het denken dat over zichzelf nadenkt en zich daarmee uit het wetenschappelijke moeras trekt waarin het heden ten dage nog grotendeels verkeert.
[Originele boekbespreking van Drs. M.C.M. de Baar (historicus en filosoof) in intermediair 26e jaargang 21 - 25 mei 1990 in de rubriek Filosofie, Douwe Draaisma, Het verborgen raderwerk. Over tijd, machines en bewustzijn. Baarn, Ambo]
2. Dit alles laat onverlet dat wetenschappers – gelijk Perceval in Het verhaal van de Graal van Chrétien de Troyes – naar waarheid moeten zoeken. Aldus Frank Kalshoven die een van de weinigen is die een zuivere wetenschap aanbeveelt. Hij betoogt dat marxisme en socialisme niet onverbrekelijk met elkaar samenhangen: als marxisme wetenschappelijk is, dan staat het tegenover het politieke socialisme, zoals de burgerlijke wetenschap tegenover het (laisser-faire) kapitalisme staat.
Zodra de twee momenten van wetenschappelijk onderzoek – rationeel denken en confrontatie met empirische gegevens – niet langer objectief en waardevrij zijn, blijkt alle wetenschap, marxistische en niet-marxistische, op de een of andere manier gekleurd te zijn.
[intermediair 27e jaargang 5 - 1 februari 1991]
3.
Het beginsel van de correspondentie betekent dat een theorie aan zijn uiteinden aansluit bij bekende natuurwetten. De kwantumtheorie van het atoom van Niels Bohr lijkt in niets op de klassieke natuurkunde, maar als de elektronen in een atoom oneindig ver van de kern worden gebracht, gelden de klassieke wetten. Volgens Jeremy Bernstein deugt een theoreticus niet als hij een dergelijke aansluiting niet probeert te bewerkstelligen.
Daarnaast dient een theorie een controleerbare voorspellende waarde te bezitten.
4. Jaap van Heerden is een wetenschapsfilosoof, beter gezegd een wetenschapstheoreticus, die geheel bij de huidige trends aansluit. De trend bijvoorbeeld dat de hersenen bewustzijn voort kunnen brengen (Zie Daniel Dennett). Een goede trend is natuurlijk dat filosofen zich meer dan ooit van de wetenschappelijke feiten op de hoogte stellen, zoals Patricia Churchland die ook de hele neurologie bestudeerd heeft. Van Heerden denkt dat die ‘weet waar ze het over heeft’. Maar dat is nog maar de vraag omdat het probleem niet (meer) zit in wat de feiten zijn, maar hoe ze geïnterpreteerd worden. Ook de beste wetenschappers interpreteren en de filosofische vraag is of ze zich rekenschap geven van hun eigen interpretatie-methoden! Daarna beginnen de twisten pas….
Van Heerden ziet dat de Amerikaan Pat Buchanan de evolutietheorie het liefst zou willen verbieden in Amerika, maar zover is het nog niet. Hier in Nederland wordt in het algemeen ook te snel geconcludeerd zonder een grondig onderzoek naar de feiten: als er drie zinnen blijven hangen van de evolutietheorie, dan wordt daar ogenblikkelijk een opinie aan opgehangen.
Verder is Emmanuel Levinas voor van Heerden ‘onbegrijpelijk’, bevind zich op een terrein waarop hij zich geen weg weet, in die zin is van Heerden dus slechts wetenschapper en geen filosoof (Van Heerden: het zijn ‘onzinvragen’ die over levensbeschouwelijke filosofie gaan…). Niet voor niets is de kritiek van Jaap van Heerden, ook op hemzelf van toepassing dus, in de titel van het artikel samengevat: “In Nederland geldt: oordelen is beter dan weten” [Intermediair 12 april 1996, 32ste jaargang nummer 15].
5. Een voorbeeld van theoriegeladen waarnemen is te vinden in het verhaal van de zwaarddragers die de evolutietheorie negeren. Vrouwtjes zouden vallen op mannetjes met extra uiterlijke kenmerken zoals enorme staarten en geweien, maar voor de mannetjes zijn die lastig: hoe komt dat toch en hoe kan dat passen binnen de evolutietheorie? Door de selectiedruk ontstaat er een richting van overdreven uiterlijk vertoon bij mannetjes. Het bewijs werd geleverd door onderzoek aan tropische visjes, zwaarddragers en platy’s. Deze soorten lijken nogal op elkaar, alleen heeft bij de zwaarddragers het mannetje aan zijn achtervin een sierlijk zwaardvormig uitsteeksel. Het platy-mannetje mist dit. Platy-vrouwtjes vielen het meest op de zwaardmannetjes. Morfologisch onderzoek wees uit dat de platy’s er eerder waren in de evolutie, dus de conclusie was dat de selectiedruk (veroorzaakt door die vrouwtjes!) heeft gezorgd dat er zwaarddragende mannetjes zijn ontstaan. Zo handig is zo’n theorie, totdat … twee weken later bleek uit DNA onderzoek dat de zwaarddragers er eerder waren dan de platy’s: hoewel de vrouwtjes dus vallen op uiterlijk vertoon zijn die extra kenmerken bij de platy’s verdwenen! De vrouwtjes sturen de evolutie dus niet.
Zijn dit feiten of is dit een nieuwe theorie?
[Intermediair 22 april 1994, 30ste jaargang nummer 16, pagina 31]
6.
In een artikel in het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte (1990-1) gaat het artikel van Frans Soontiëns over ‘Evolutie, teleologie en toeval’. In latere studies en boeken verder uitgewerkt, laat Soontiëns zien dat het schijnbaar opgeloste probleem van toeval of doelgerichtheid binnen de neodarwinistische evolutietheorie via de ontwikkelingen binnen de systeemtheorie weer opduikt. Ook biologen kunnen in de moderne ‘synthetische’ evolutietheorie, zonder een vorm van doelgerichtheid, niet verder. Zonder besef van de rol van de teleologie in de evolutietheorie zou de wetenschappelijke basis ervan niet houdbaar zijn.
Het probleem doet zich voor op wetenschapsfilosofisch niveau en met betrekking tot de discussie of de evolutie doelgericht is of slechts, zoals Darwin stelt, het gevolg is van toeval en/of wetmatigheden.
Soontiëns werkt een en ander verder uit, gaat in op het begrip ‘teleologie’ bij de Grieken (Democritus, Plato, Aristoteles) en hoe het in de Renaissance wordt gebruikt na de omwenteling in het wereldbeeld: de definalisering van de natuur.
Uiteindelijk kan Soontiëns samenvatten dat hij heeft laten zien dat de afwijzing van teleologie door de evolutiebiologie niet te rechtvaardigen is, maar ook dat teleologisch denken onvermijdelijk een vorm van antropomorf denken is. Zelfs Darwin ontkomt hier niet aan. Op pagina 62 van ‘De koude rillingen van Darwin’ van Jan Hendrik van den Berg, krijgt Soontiëns steun: Darwin wilde de term ‘finaliteit’ afschaffen, slaagt daar slechts gedeeltelijk in. Bovendien laat de levende natuur zien dat er doelmatigheid en finalité heerst. Het nieuwe woord ‘téléonomie’ moet voorkomen dat men zich steeds opnieuw schaamt als men doelmatigheid of toekomstgerichte doelen voorstelt. Dit woordenspel lijkt eerder een vorm van bedrog, vooral in het licht dat Darwin in alle eerlijkheid aan de plantkundige Asa Gray, docent Harvard School, schrijft dat hij koude rillingen krijgt van het ‘oog’ of van de pauwenveer. Beide lijken eerder ontworpen dan door natuurlijke selectie te zijn kunnen ontstaan. Maar dan komt het woord ‘Schepper’ weer om de hoek kijken en dat past niet bij de nagestreefde mechanistische visie die gevestigd moet worden. Het natuurwetenschappelijke denken zet zich door.
Fred van der Vleuten, 14 januari 2008.
====
* Dat is wel een héél groot commentaar. Het begint bij wat ik in een cursus Minds and mental phenomena heb gevolgd – wat is bewustzijn, intelligentie, en wie of wat kan/kunnen dat hebben (mensen, engelen, computers?) – en eindigt bij het vraagstuk van de teleologie; dat laatste verschijnsel levert vaak strijd met de zogenoemde levenswetenschappen. Het is niet echt een reactie op de opmerking die ik in de vorm van een vraag had gesteld en eerlijk gezegd al lang weer was vergeten. Die opmerking lijkt eerder de aanleiding voor het neerschrijven van een bepaalde visie. Daar is niets op tegen. En aan het eind staat de conclusie dat de evolutietheorie niet helemaal om de doelgerichtheid heen kan. Ik kan het daar wel mee eens zijn in die zin dat de evolutie, op aarde, maar op nog grotere schaal bij alles, een proces is dat in zo’n grote omvang plaats vindt dat “men” het niet over doelgerichtheid eens kan worden. Er zijn voorstanders van totale chaos, zonder enig al dan niet vooropgezet doel; anderen staan een schepper voor die alles stuk voor stuk heeft gemaakt waarvan dan meestal alleen de mooie dingen worden genoemd. Kan het er een beetje tussenin zitten? Wel een bepaald streven om alles steeds verder te ontwikkelen, maar op zo’n grote schaal dat wij de misschien naar verhouding geringe ruis (in de vorm van verspilling: heel veel zaad dat nooit ontkiemt, heel veel jongen waarvan er veel omkomen etc.) als enorm ervaren, waardoor het zicht op een bepaalde orde wordt belemmerd. En waar wordt dan naar gestreefd? zal misschien iemand vragen. Dat zou dan eigenlijk moeten zijn naar steeds beter, een opwaartse beweging. En bij die verbetering, veredeling, zou de mens het voortouw moeten en ook kunnen nemen, maar verzuimt deze tot nu toe zijn/haar plaats van goed beheerder in te nemen, concludeer ik toch maar weer eens. Want wie oorlog voert, veredelt niet. Schepper wordt dan een veel minder concreet begrip dan bij de creationisten en gaat eerder in de richting van: degene die aan het begin staat van alles en beweging toestaat (sorry atheïsten!
).