Waarom Evolutie Religie niet uitsluit
gastbijdrage Jan Riemersma
Inleiding
Voor de goede orde: dit is een filosofisch opstel over evolutie en religie. Ik zal dan ook niet doen alsof mijn beweringen de kracht hebben van een empirisch bewijs.
1. Een definitie en wat losse opmerkingen- Ik ben een darwinist in die zin, dat ik nooit op het idee gekomen bent dat je geen darwinist kunt zijn. In mijn vaders boekenkast stond een boek over de evolutie, en onze favoriete foto was die van Darwins' werkkamer: deze werkkamer kan dienen als bewijs voor de waarheid van de theorie. Zó behoort de werkkamer van een geleerde er uit te zien. Later heb ik geleerd dat religie en evolutie elkaar niet verdragen. En Darwin, nooit uit op overhaaste conclusies, neigde er toe, na langdurig wikken en wegen, het atheïsme aan te hangen.
Hoe belangrijk het darwinisme is besef je als je Dennetts' boek Darwins Dangerous Idea leest: de evolutie is een allesdoordringend zuur. Alle vakgebieden zijn schatplichtig aan de evolutietheorie. Mocht een uitspraak strijdig zijn met de evolutietheorie, dan kan hij niet worden aanvaard. De evolutietheorie is de best geconfirmeerde theorie waarover wij beschikken. Het bewijs is overweldigend.- Ik zal deze gedachte iets formeler opschrijven:

Darwinregel =def. als binnen twee of meer vakgebieden (theorieën), waaronder ook de evolutieleer, strijdige uitspraken worden gedaan, is de uitspraak uit de evolutieleer bij voorkeur waar.
Deze regel drukt eigenlijk uit dat alle menselijke eigenschappen en producten (dus ook onze wetenschappelijke theorieën) moeten kunnen worden genaturaliseerd. Van sommen uitrekenen tot het naar binnen werken van een boterham: alle menselijke handelingen en vermogens hebben een natuurlijke geschiedenis. Niets komt zomaar uit de lucht vallen.
Het volgende uitgangspunt is dat de mens de maat is van alle dingen: signalen waarvan het bestaan niet kan worden vastgesteld, omdat het oog en het oor zelfs met behulp van de meest ingewikkelde instrumenten en machines dit signaal niet kunnen opvangen en verwerken, kunnen niet worden aangevoerd als een bewijs voor of tegen een bepaalde overtuiging. En uitspraken waarvan de betekenis ons ontgaat kunnen niet dienen als bouwstenen voor een theorie of overtuiging. Dit heet methodologisch naturalisme: als wij niet kunnen beschikken over een betrouwbare methode om kennis te verwerven, dan betekent dit dat wij -letterlijk- op de grenzen van ons kunnen gestuit zijn.
2. Aanpassing
Alle wezens op aarde zijn aangepast aan hun omgeving. Deze aanpassing is zo ver doorgevoerd, dat het evenwicht tussen omgeving en organisme in sommige gevallen zelfs delicaat te noemen is. De vis: in het water een wonder, op de wal een hulpeloos bundeltje schubben. De aanpassing is zo goed 'doordacht', dat organismen een éénheid vormen van verstand (cognitie), lichaam (soma, emotie) en handeling (motoriek). Hoe doorwrocht deze samenhang is, blijkt o.a. uit de moeilijkheden die men in de Artificiele Intelligentie ondervindt bij het bouwen van robots: de mens is niet na te bootsen. Een mens is niet slechts een verstand dat met een paar draden vastzit aan een lichaam, nee, een mens is een 'epistemische machine' die alles wat het ziet en hoort onmiddellijk kan vertalen in adequaat gedrag: een bepaalde lichtval op de retina wordt onmiddellijk -zonder nadenken- vertaald in een korte draaiende beweging van de heup en het overhalen van de trekker. In zekere zin zijn mensen ontworpen voor de jacht en de sport, activiteiten waar onze soort dan ook veel genoegen aan kan beleven.
De gedachte dat de mens een wezen is dat aangepast is aan een bepaalde omgeving, is niet gewaagd. De Darwinregel zegt zelfs dat we hier niet aan mogen twijfelen.
Hoe ver gaat zo'n aanpassing? En wat is precies een omgeving? -Een aanpassing gaat heel ver: het geniale van het mechanisme achter de evolutie is nu juist dat het, in simpele, begrijpelijke, niet al te grote stappen, ieder aspect van een organisme aanpast aan de omgeving. Alle aspecten van de mens, cognitie, soma en motoriek worden voortdurend 'bijgewerkt'.
Een omgeving bestaat niet alleen uit het aantal vierkante meters dat men bewoont (voor de mens bijna de gehele aarde), maar ook uit de cognitieve ruimte die men inneemt: de cognitieve ruimte is de hoeveelheid kennis die men nodig heeft om adequaat te kunnen handelen in een omgeving. Als de natuurlijke omgeving erg afwijkt van de oorspronkelijke omgeving, maar de cognitieve ruimte wordt niet groter, dan kan een organisme zich vanzelfsprekend niet 'adequaat' gedragen. -Neem de egel: nu zijn omgeving verandert -doorsneden met wegen- is voor hem de snelste oplossing een vergroting van de cognitieve ruimte; zodat het beestje 'snapt' dat het, bij het naderen van een auto, juist niet moet stilzitten en de stekels opzetten (dat is een zekere dood), maar dat hij even aan de kant moet stappen. In zijn geval is het voldoende als alleen de cognitieve ruimte groeit: hij hoeft zich fysiek niet aan te passen, de poten om mee weg te lopen heeft hij al.
Bij geen enkel creatuur zien wij dat de cognitieve ruimte zó groot is, dat het zich kan handhaven in alle mogelijke omgevingen. Alhoewel: zouden wij zelf niet de uitzondering op de regel zijn? De cognitieve ruimte van de mens is wel erg groot (!): wij kunnen ons handhaven onder water, in de lucht, op de maan en wellicht op mars. Soms ontstaat bij ons de gedachte dat onze cognitieve ruimte zó groot is, dat wij ons in iedere omgeving zullen kunnen handhaven. Wij lijken te geloven dat onze cognitieve ruimte een universele omvang heeft.
We hebben hier geen bewijs voor. Sterker nog, dit vermoeden is natuurlijk strijdig met de Darwinregel. Het is zelfs de vraag of het zinvol is om te spreken over: een wezen dat zich heeft aangepast aan de universele omgeving(!) Nou is dat geen fundamenteel bezwaar, want onze hersenen zouden een exaptation kunnen zijn.- Toeval, maar wel mooi meegenomen.

Toch lijkt dit niet waarschijnlijk. Ook is het gemakkelijk om een tegenvoorbeeld te verzinnen. In een virtuele wereld die op onze wereld lijkt, zal de mens zich vast en zeker wel handhaven. Maar als we vervolgens de omstandigheden zo aanpassen, dat de virtuele karakteristieken krijgt die behoorlijk afwijken van onze oorspronkelijke omstandigheden, dan blijkt onze cognitieve ruimte in niet universeel te zijn. In een wereld waarin een tak plotseling verandert in een tijger, de weg opeens uit een stroperige kleverige bovenlaag blijkt te bestaan, veranderen wij in hulpeloze wezens. Onze cognitieve ruimte past alleen bij een omgeving die niet al te veel afwijkt van de onze. Een erg vreemde omgeving toont onomstotelijk de grenzen aan van onze cognitieve ruimte.
Als de evolutietheorie waar is, dan mogen we ook het volgende verwachten: kennis die veel betrekking heeft op onze natuurlijke omgeving is gemakkelijker te begrijpen dan kennis die geen betrekking heeft op onze natuurlijke omgeving. Deze veronderstelling lijkt hout te snijden: wie de geschiedenis van de fysica bekijkt, ziet dat de nieuwere theorieën, in onze ogen, steeds 'ongewoner' zijn (tegen-intuitief). Toch worden deze nieuwe theorieën keurig op de oude theorieën gestapeld. Het oude blijft behouden: onze kennis wordt uitgebreid, niet ingrijpend veranderd. Echter, hoe meer we te weten komen, hoe moeilijker het lijkt om te begrijpen wat er wordt bedoeld. -Dat onze kennis steeds minder 'intuïtief' lijkt is geheel in overeenstemming met Darwins idee dat de cognitie van een mens is aangepast aan een bepaalde omgeving. We kunnen aan de hand van Darwins theorie voorspellen dat iedere nieuwe theorie, naarmate deze meer feiten verklaard, steeds minder vanzelfsprekend zal zijn.
3. Cognitieve 'zinsbegoocheling'
De grote truc van de natuur is dat de aanpassing zo vlekkeloos is, dat men eigenlijk niet eens weet hoe perfect, hoe naadloos, de aanpassing is. De mate waarin de natuur ons heeft aangepast is zo meesterlijk, de eenheid tussen verstand, emotie en motoriek zo buitengewoon doorwrocht, dat wij sluipenderwijs voorbijgaan aan onze tekortkomingen. We zijn immers niet gemaakt om dingen niet op te merken! Desondanks hoef je bij de meeste wetenschappers, ook al verdedigen ze de evolutie te vuur en te zwaard, niet aan te komen met de mededeling dat uit de Darwinregel rechtstreeks volgt dat onze kennis niet universeel is. Alsof men gelooft dat wij de kroon op de schepping zijn.
Natuurlijk: i. als de werkelijkheid eindig is, en ii. als de werkelijkheid uniform is, dan zou men misschien mogen veronderstellen dat onze cognitieve ruimte universeel is. Maar zelfs dan zou op een goede dag het universum kunnen veranderen. En wie kan een evolutionaire verklaring geven voor ons universele cognitie? Ik geloof eerder dat deze gedachte strijdig is met de evolutie. Het vraagt in ieder geval om een bewijs: zijn er inderdaad uitspraken die aantoonbaar universeel geldig zijn? En: is het niet buitengewoon toevallig dat wij de grootst mogelijke -de universele!- cognitieve ruimte bewonen? En: hebben wij het recht om te veronderstellen dat de werkelijkheid eindig is (let wel: je aanpassen aan een oneindig grote werkelijkheid is onmogelijk). En: als kennis een uitvinding van de evolutie is, een aanpassing aan de omgeving, heeft het dan überhaupt zin om kennis te abstraheren van de omgeving? Bestaat er zoiets als 'abstracte universele' kennis? (Is dat niet zoiets als een stuk gereedschap ontwerpen waarmee je alle bestaande apparaten kunt repareren?)
Maar, zoals gezegd, onze aanpassing is zo perfect, dat wij ons niet kunnen indenken dat er buiten onze cognitieve ruimte nog iets anders kan bestaan- en als er iets bestaat, vooruit dan, maar dan is het vast van geen enkel belang (dit wordt ons ingegeven door het methodologisch naturalisme). De natuur heeft haar werk zo goed gedaan, dat wij volkomen samenvallen met hoe wij te handelen hebben, en met onze noden en behoeften. Zo goed is onze aanpassing, dat wij ons niet kunnen indenken dat ons verstand niet het meest volledige en bestwerkende instrument in het universum is. De natuur heeft ons zo goed aangepast, dat er sprake is van een cognitieve zinsbegoocheling. Voor mensen is er geen beter en perfecter instrument denkbaar dan onze cognitie.
En toch: de beste theorie die wij hebben, schrijft voor dat cognitie is aangepast aan het gebruik dat je er van moet maken in een bepaalde omgeving. Een verstand, de hersenen, zijn bedoeld om adequaat te handelen in je omgeving: en alle cognitieve taken die we daarbij nog kunnen verrichten zijn mooi meegenomen, evenals muziek maken en zingen, maar er kan eenvoudigweg niet uit volgen dat wij, als door een wonder, aan de kracht van de evolutie zijn ontkomen en opeens nagenoeg alwetend zijn.
Juist het absurde idee, dat wij zouden zijn ontkomen aan de handen van de natuur, dat de Darwinregel niet geldt voor ons, is het bewijs voor de sluwe, stille kracht waarmee de natuur te werk gaat: dat ik zelfs aan zijn verstand een universele, allesomvattende denkkracht toeken. Net zoals dat ik me geen mooiere muziek kan voorstellen dan die gemaakt is door mensen. De aanpassing van de natuur gaat diep en reikt ver: mensen vinden mensen mooi (zelden slaagt een penguin als fotomodel), hun stem prachtig, hun muziek hemels en perfect, en hun verstandelijke verrichtingen indrukwekkend. Toch is dit een vorm van cognitieve dissociatie. De natuur houdt mij voor de gek; de natuur laat mij in de waan dat ik de natuur ben overstegen.
4. De universele regels van de logica
Alle wetenschappers hebben hun eigen heilige huisjes. De snelheid van het licht is absoluut, al het leven is gevormd (behalve klaarblijkelijk ons verstand) door aanpassing,- en de filosofen hebben 'de universele regels van de logica'. De tegenspraak is een logische regel. Hij drukt uit dat een figuur niet 'cirkel en driehoek tegelijkertijd' kan zijn. De tafel kan niet wit én zwart zijn. En de wijzer van de klok kan niet links- én rechtsom draaien.
De filosoof meent dat deze regel altijd geldt. En daarmee is deze regel een voorbeeld van een universeel geldige uitspraak.

Deze logische regel geldt daarmee als het bewijs voor de stelling dat onze cognitieve ruimte wel 'universeel' van omvang is! De Amerikaans-Friese filosoof Plantinga heeft deze universele 'kracht' van de logica gebruikt om te laten zien dat de Darwinregel onwaar is. De logica lijkt daarmee zelfs te gelden als hét bewijs voor de stelling dat mensen de uitzondering op de regel zijn: de cognitieve ruimte van alle wezens is aangepast aan een bijzondere leefgebied, behalve dat van de mens. De cognitieve vermogens van de mens zijn aangepast aan het universum- en meer dan het universum is er niet. De mens is daarmee, in zekere zin, alwetend. Erg uitzonderlijk, als je er over nadenkt, maar de logische regels heten heilig te zijn en ze worden beschouwd als het summum van waarheid. De logische regels zijn zo waar, dat de Darwinregel moet vervallen.
De vraag is nu: is het echt waar dat de logische regels altijd waar zijn? Hebben de logische regels inderdaad een soort 'universele' kracht?
Daar is wel wat tegen in te brengen. Allereerst: A. krachtens de evolutietheorie is alles door aanpassing ontstaan; maar dan hebben wij het recht om de logische regels te beschouwen als aanpassingen; en hieruit volgt dat er wellicht omstandigheden zijn, waarin deze regels niet van kracht zijn; de Darwinregel kan niet zomaar worden afgeschaft(!) B. als waarheid uiteindelijk bepaald wordt door uitspraken te vergelijken met de logische wetten, zijn er dan misschien ook logische wetten waarmee je de waarheid van deze logische wetten kunt meten (vergelijk: hoe meet je de zuiverheid van de zuivere meter?); het antwoord is 'nee'(!) C. het is mogelijk om tegenvoorbeelden te geven: wie een hoop zand verdeelt over een wit en een zwart vlak, gebruikt niet de logische regels, maar het oog en het oor, om de waarheid van de volgende bewering vast te stellen: 'de hoop zand ligt en op het witte en op het zwarte vlak'- dit is feitelijk een tegenspraak; D. in de moderne natuurkunde blijkt de klassieke logica niet altijd bruikbaar te zijn- sindsdien zijn logici bezig om de regels van de logica aan te passen: zo universeel zijn ze dan ook weer niet; E. wij menen dat de logische regels altijd waar zijn, omdat wij ons niet kunnen indenken -voorstellen- dat ze onwaar zijn; maar dat is precies wat je mag verwachten bij een wezen dat aangepast is aan de omstandigheden: net zo min als je je kunt voorstellen hoe het is om je in een donkere ruimte te bewegen met behulp van echolocatie, kun je je voorstellen dat de regels van de logica onwaar zijn; F. als je gewoon foutloos redeneert, krijg je soms toch een tegenstelling: hoe is dat eigenlijk mogelijk als de wereld een universele, logische structuur heeft? Er lijken ware tegenstellingen te kunnen bestaan.
Logici veronderstellen het volgende: als je, in een logische som, een tegenstelling kunt afleiden, dan mag je vervolgens alles, zelfs het meest absurde, veronderstellen. Het volgende is dus een geldige redenering: De tafel is wit, de tafel is zwart DUS varkens kunnen vliegen. -Een absurde conclusie. Maar een tegenstelling is dan ook een heel erg absurd 'object'(!)
Natuurlijk denken logici nu niet echt dat varkens kunnen vliegen. Nee, ze willen hier mee eigenlijk zeggen dat als de logica niet meer klopt, dat wij, mensen, dan wel kunnen inpakken. Daarmee vervalt onze laatste zekerheid. Als er iets is waar ik op moet kunnen bouwen, dan toch wel de gedachte dat een driehoek niet tegelijkertijd een cirkel kan zijn! Als we deze zekerheid overboord zetten, dan is alles -zelfs het ondenkbare- mogelijk.
Nu hebben we een logisch(!) probleem: uit de evolutie volgt dat we geen enkele reden hebben om te veronderstellen dat de logische regels universeel waar zijn; maar de logische regels, kunnen niet onwaar zijn: want als de geldigheid van de logische regels vervalt, dan zijn we radeloos (en reddeloos verloren). -Het antwoord is echter eenvoudig: we verdelen nu de werkelijkheid gewoon in een gebied waarin de logische regels wel gelden en in een gebied waarin deze regels niet gelden. En vervolgens concluderen we: onze cognitieve ruimte wordt precies gemarkeerd door de logische regels. De ruimte waarbinnen deze regels gelden, is het gebied waar wij voor zijn aangepast; de ruimte waar deze regels niet langer gelden, is een gebied waar wij niet voor zijn aangepast. En een dergelijke begrenzing is ook precies wat je mag verwachten als de evolutietheorie waar is (en als je niet gelooft dat wij het bedoelde hoogtepunt van de schepping zijn).
5. Toch een bovennatuurlijke wereld?
Wij zijn dus geen alwetende bewoners van deze werkelijkheid, maar goed aangepaste wezens met een beperkt verstand. We mogen, als het bovenstaande klopt, veronderstellen dat de werkelijkheid zo rijk is dat er 'ondenkbare' objecten bestaan. Een soort 'bovennatuurlijke' werkelijkheid. -Deze term is slecht gekozen: feitelijk bedoel ik er een 'buitennatuurlijke werkelijkheid' mee.

Is dit een absurde conclusie? Nee, feitelijk heeft deze kijk op de werkelijkheid een aantal grote voordelen. En welbeschouwd is een 'bovennatuurlijke wereld' erg vanzelfsprekend: je kunt nu een beschrijving van de werkelijkheid geven waarbij je een aantal van je oude problemen oplost. A. Zoals de vroegere mens dacht dat de platte aarde in het niets hangt, zo hebben wij -schijnbaar- gedacht dat de werkelijkheid zich, zijnde van één en dezelfde orde, uitstrekt tot in het oneindige; of, dat deze, zomaar is ontstaan in tijd en ruimte. Eigenlijk een voorstelling van zaken die nogal merkwaardig is. Dat men slechts een onderdeel is van een veel grotere werkelijkheid, een werkelijkheid die voor een deel buiten ons cognitieve gezichtsveld ligt, is volgens mij een veel plausibeler wereldbeeld. B. Het maakt dat wij veel beter passen bij de bestaande natuurlijke orde: een voorstelling van zaken waarbij wij alwetend zijn en absolute en universele uitspraken kunnen doen, is feitelijk absurd en in ieder geval strijdig met de Darwinregel. C. Het verklaart waarom religie zo'n krachtig fenomeen is: feitelijk hebben aanhangers van religies gelijk, de werkelijkheid is groter dan wij op het eerste gezicht kunnen merken; en als zich 'iets' bevindt in de bovennatuurlijke ruimte, dan is dat waarschijnlijk een bijzonder intellect, want bij het begrijpen en hanteren van (niet logische) regels heeft men ten minste een bepaald -bizar soort- intellect nodig. Dit wereldbeeld maakt het mogelijk om realist te zijn met betrekking tot het bestaan van God. (Hier liggen wel wat theologische problemen op de loer, maar het voordeel is dat het binnen dit wereldbeeld tenminste weer zeer zinvol is om theologie te bedrijven) Mensen hebben wellicht een bepaald zintuig (?) waarmee men intuïtieve gedachten kan hebben over abstracte objecten (die vast en zeker kunnen bestaan, althans, als de evolutietheorie betrouwbaar is). God is een dergelijk abstract object: en mensen hebben wellicht intuïtief altijd geweten dat hij moet bestaan.
6. Besluit
Darwin is de grootste wetenschapper die ooit geleefd heeft. Misschien duurt het nog wel honderden jaren voordat wij ten volle beseffen hoe rijk deze theorie is en hoe verstrekkend haar gevolgen zijn. Een wonder van eenvoud, maar een onbevattelijke kracht!


In feite heb je hier het aloude ontologische godsbewijs weer nieuw leven ingeblazen en begrijpelijk gemaakt. Het is een feit dat er een volmaakter kennen mogelijk is van de werkelijkheid, dan die waartoe wij in staat zijn. Het is alleen nog steeds lastig om aan te tonen middels de ons voorhanden zijnde logica, dat het noodzakelijk is dat er een wezen in dit buitenlogische gebied bestaat die dat volmaakte kennen bezit. Het zou helpen als er een vorm van interactie wordt erkend tussen binnen- en buitenlogische wezens (agapè, Moral Law en visioenen zouden voorbeelden zijn, maar deze zijn nog niet voldoende geobjectiveerd).
In ieder geval zeer hartelijk dank voor deze uiteenzetting!
(Comment this)
Jij had als punt van kritiek dat misschien het verstand van een mens inderdaad beperkt is, maar het verstand van de mensheid als geheel niet: wetenschap is voortschrijdend. -Ik wil graag een voorbeeld geven dat er op zou kunnen wijzen dat ons verstand toch wel begrensd is. Multinationals worden op een gegeven ogenblik onbestuurbaar- onze menselijke hersenen, zelfs die van de meest briljante bestuurders, zijn niet in staat om een al te omvangrijke organisatie te leiden. Er is een kritische grens. Wellicht een ander voorbeeld van ons begrensd verstand is dat we in de toekomst wel goed werkende theorieen over de werkelijkheid zullen kunnen opstellen, maar dat we deze theorieen eigenlijk niet meer in begrijpelijke taal zullen kunnen uitleggen: de theorie functioneert dan wel, maar is conceptueel onbegrijpelijk. We doen wel wat, maar we weten eigenlijk niet goed meer wat we doen of welk beeld we van de werkelijkheid moeten hebben (daarom dat iemand als 't Hooft, voor zover ik hem kan begrijpen, meent dat er een eenvoudiger wereldbeeld ten grondslag ligt aan onze moderne natuurkunde- een wereldbeeld dat beter past bij onze natuurlijke leefomgeving). Andere voorbeelden waaruit blijkt dat ons verstand te kort schiet, is het bestaan van een aantal ontzettend moeilijke metafysische vragen. Maar dit zijn weer van die echte filosofen opmerkingen, die zal ik nu voor me houden.
In mijn scriptie wordt de bewijsvoering voor de beperktheid van het verstand opgehangen aan begrippen als 'waarheid', 'samenhang'.
Overigens, ik heb besloten om de Darwin regel om te dopen tot de Darwin-Korthof regel ;-) (Comment this)
PS: ik bedoel niet een eindeloos lange lijst zoals Taede die wel eens over ons uitgestort heeft :-) , maar één of een handvol boeken die echt cruciaal voor jou waren. (Comment this)
Maar in dit geval is alles wat we wel kunnen, geen bewijs tegen de stelling dat we wellicht sommige dingen niet kunnen. Het is feitelijk een vorm van 'anthropomorfisme' om te geloven dat je de werkelijkheid in zijn geheel zult kunnen doorgronden.
Het belangrijkste boek is vermoedelijk Darwins Dangerous Idea (Dennett). Hij is volgens mij de eerste die de enorme kracht van de evolutie met zoveel verve heeft uitgedragen. De kracht van dit boek is dat het een ‘denk-boek’ is: of je wilt of niet, Dennetts voorbeelden en zijn provocerende polemische manier van filosoferen brengen je gedachten onherroepelijk op gang. Maar toen ik zijn boek las, dacht ik dat het voor de hand lag om te denken:
Als Darwins theorie onbetwijfelbaar is, dan betekent dit toch (bijna per definitie) dat we niet alles kunnen begrijpen en weten? (En is dit niet juist de belangrijkste veronderstelling van religie: dat er een echte werkelijkheid is die wij niet kunnen kennen?).
Dennett pleit voor atheïsme (net als Dawkins). Ik heb de evolutie, na het lezen van Dennett, onwillekeurig beschouwd als een bewijs voor de eventuele waarheid van religie. En eigenlijk vind ik het jammer dat Dennett deze mogelijkheid niet eens bespreekt.
Overigens is de ondertitel van zijn boek markant: Evolution and the meaning of live.
(Comment this)
Er zijn asymptoten en zwarte gaten in onze kennis die ons dwingen een grotere KENBARE werkelijkheid te erkennen. De tools om die werkelijkheid te kennen zijn echter niet zozeer logisch deductieve of empirische vaststellingen, maar meer gangbaar zijn openbaring, inspiratie en dat soort termen. Daar moet je in geloven, om die werkelijkheid te leren kennen.
Wat wij via wetenschap en logica te weten komen is een (steeds groter) deel van het kenbare. (Comment this)
Je schrijft: laten we ons bezighouden met de dingen die we nog net wel kunnen begrijpen en grensverleggend bezig zijn, zodat we vandaag meer dingen begrijpen dan gisteren. -En dat is natuurlijk een waar ding... als je welgesteld bent, zoals wij. Twintig procent van de mensen is te arm om uberhaupt de eigen hersenen te kunnen voorzien van de noodzakelijke bouwstoffen, veertig procent van de mensen leeft in grote zorg, enz. Zij hebben hun hoop echt gevestigd op de religie (het onbekende), en met goed recht. Dat het onbekende in ieder geval niet naar het rijk der fabelen hoeft te worden verwezen, moet voor hen belangrijk nieuws zijn. (Comment this)
Logica gaat over consistent redeneren, niet over het bepalen of een bewering over de wereld waar is of niet. En zekerheid over ons kennen hebben wij nooit. Het gaat in wetenschap over de geloofwaardigheid van hypotheses. Als een theorie succesvol is, dan kunnen wij nooit weten of er niet ooit een andere theorie komt, die nog dieper graaft.
Dus wat Jan zegt, in veel woorden, is dat we nooit kunnen zeggen dat we alles weten, wat dan ruimte overlaat om van alles te geloven (b.v. in het Incredible Spaghetti Monster?). Helaas betekent "niet bewezen dat het niet bestaat" niet hetzelfde als "bestaat waarschijnlijk". Om dat nou een Godsbewijs te noemen ... (Comment this)
Over kennis van -oei, zo lastig om termen te bedenken die een beetje neutraal klinken- het 'onbekende': is misschien wel mogelijk: de overgang is niet messcherp, vermoedelijk: alle kennis is in der aard empirisch, niet logisch, en deze heeft dus de neiging om een tikkie vaag te zijn. De een zal in dit mistige overgangsgebied meer zien dan de ander.
Nou ja, het is al heel wat als mensen nu willen erkennen dat Dawkins beslist ongelijk heeft: uit de evolutie volgt beslist niet dat je atheist moet(?) worden. Eerder het tegendeel, althans, als we echte argumenten mogen gebruiken. (Comment this)