Dogma en Wetenschap: op herhaling
gastbijdrage Gerdien de Jong
Eén van de allermoeilijkste dingen is vat te krijgen op gegevens of discussie in een andere wetenschap zonder dat je de daarvoor benodigde achtergrondkennis hebt. Dit speelt kennelijk ook Juleon Schins parten: hij begrijpt niet wat de argumentatie tegen monogenese is, omdat hij de biologie niet begrijpt. Dus ik zal het nog eens toelichten.

Afstammingslijnen van genen.
Eerst de biologie:
Het uitgangspunt is dat elk mens 46 chromosomen in elke celkern heeft. Bij mannen gaat het om 22 paar zogenoemde autosomen, een X-chromosoom en een Y-chromosoom. Elke man krijgt 22 autosomen en het Y-chromosoom van zijn vader, en 22 autosomen en een X chromosoom van zijn moeder. Vrouwen krijgen 22 autosomen en een X-chromosoom van hun vader, en 22 autosomen en een X-chromosoom van hun moeder. Op de chromosomen bevinden zich een 25 000 genen en nog wat verder identificeerbaar DNA. Daarnaast krijgt iedereen mitochondriën van zijn moeder. Alleen vrouwen geven mitochondriën door. De chromosomen erven onafhankelijk van elkaar over, en de mitochondriën erven onafhankelijk van de chromosomen over. Dus, u heeft uw mitochondriën van uw moeders moeder, en uw Y chromosoom van uw vaders vader, maar uw vier grootouders hebben precies dezelfde claim op uw autosomale kerngenen. De 22 autosomen die een man van zijn vader krijgt komen niet bij voorkeur in een zoon terecht. De zoon krijgt de chromosomen van zijn vaders moeder en zijn vaders vader met gelijke kans, en de chromosomen van zijn moeders moeder en van zijn moeders vader met gelijke kans. De chromosomen wisselen ook nog paternale en maternale genen uit.
Terug in de tijd:
Iedereen heeft 2 ouders, 4 grootouders, ..210=1024 voorouders 10 generaties terug en 220=1048576 voorouders 20 generaties terug. Precies 1 van deze 1048576 personen is de vrouw van wie u uw mitochondriën heeft - nl de afstammingslijn vrouw - (vrouw)18 -vrouw.
Er is precies 1 van deze 1048576 personen van wie u uw Y-chromosoon heeft, nl de afstammingslijn man - (man)18-man.
Al uw andere genen stammen af van een gen ergens in deze 1048576 personen, via een of ander pad, bv vrouw-vrouw-vrouw-man-man-vrouw-man (etc). Als u weet dat de generatie 20 overgrootmoeder van wie uw mitochondriën komen Pietje was, weet u verder niets over uw voorouders voor uw andere genen.
Nu andersom:
Stel dat er ooit (26)3=17576 vrouwen in een populatie waren, geheten AAA, AAB tot en met ZZY, ZZZ.
De mitochondriale afstammingslijn van elke vrouw met alleen zonen eindigt - dat is een kwart elke generatie bij twee kinderen per vrouw. Op den duur blijft er één afstammingslijn voor mitochondriën over: per ongeluk die van de vrouw EVA. EVA had een kans daarop van 1 op 17576 gezien vanuit haar generatie.
Als er 17576 vrouwen in een populatie zijn, zijn er (ongeveer) evenveel mannen. Elk autosomaal gen komt in tweevoud in elke vrouw voor, en elk autosomaal gen komt in tweevoud in elke man voor. Het aantal exemplaren mitochondriale lijnen waarmee we begonnen is 17576; het aantal exemplaren van elk autosomaal gen is 4*17576=70304. Sommige vrouwen hebben geen kinderen, sommige mannen hebben geen kinderen, en ooit blijft van elk gen één afstammingslijn over. Het duurt natuurlijk langer voor genen dan voor mitochondrien voordat er maar één afstammingslijn over is, want er zijn vier keer zoveel afstammingslijnen om te beginnen. Iedere afstammingslijn heeft dezelfde kans om ooit als enige te eindigen, en de ooit enig overblijvende afstammingslijn voor het gen acid phosphatase bv komt uit het maternale chromosoom van man XYZ. De 25000 of zo genen doen dit (min of meer) onafhankelijk van elkaar. Een groot aantal van de 17576 vrouwen en 17576 mannen ziet tenslotte ergens één van hun genen vertegenwoordigd in een verre nakomeling. De hele populatie draagt op dezelfde manier bij aan de kerngenen van de huidige generatie.
De genen in de chromosomen van EVA hebben geen enkele bevoorrechte positie. Elk van haar autosomale genen is een van de 1 op 70304 exemplaren en heeft een kans 1 op 70304 tenslotte over te blijven. De kennis dat de mitochondriale afstammingslijn afkomstig is van EVA geeft geen voorspelling over afkomst van de afstammingslijnen van de genen in de celkern.
Nu weer monogenese.
Monogenese wordt in hoofdstuk 15 van het boek Worm gedefinieerd als "de geboorte uit één ouderpaar" (blz 304/305). Schins noemt in zijn reactie de definitie in Wikipedia: " In the 19th century, the term monogenesis was used to refer to the theory, supported by traditional interpretations of the Bible, that human beings all descended from a single recent pair of ancestors". Verder schrijft hij in zijn reactie: "Het katholieke dogma stelt slechts (i) dat het gehele huidige mensengeslacht door pure inteelt (excusez-moi le mot) uit Adam en Eva voortkomt en (ii) dat Adam en Eva jonger zijn dan de laatste gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee."
Schins schrijft in Worm, blz 305:
"De natuurwetenschappelijke consequentie van het dogma van de erfzonde is dus de monogenese: een falsifieerbare hypothese zoals de wetenschapsfilosoof Karl Popper die voor ogen had. Deze monogenese zou gefalsifieerd worden als aangetoond wordt dat sommige mensenrassen afstammen van Homo erectus en andere van Homo sapiens, om maar een voorbeeld te noemen".
Monogenese houdt twee zaken in: een flessenhals in populatiegrootte van grootte twee, en het samenvallen van de oorsprong van alle huidige genen van alle huidige mensen in deze twee mensen. Beide voorspellingen moeten terug te zien zijn in de genetische variatie in de huidige mensen populatie. Ik noemde de flessenhals als mijn punt 3 en de afstamming van de genen onder mijn punt 2.
Ad mijn punt 3
De genetische variatie in de huidige menselijke populatie laat zien dat er van een flessenhals van twee personen geen sprake kan zijn.
Om Marnix Medema (comment 9) te citeren:
"Ik had Juleon Schins eerder ook al een aantal artikelen gemaild over variatie in het Major Histocompatibility Complex van mensen (daar ook wel HLA genoemd) en chimpanzees, dat er statistisch zeer sterk op wijst dat van monogenese geen sprake geweest kan zijn.
Het argument komt erop neer dat van bijvoorbeeld het DRB1-gen vele tientallen verschillende allelen bestaan bij zowel mensen als chimpanzees. En wat blijkt? Een zeer groot deel van die genvarianten komen zowel in menselijke als in chimpanzee-populaties voor. En dat terwijl in het geval van monogenese er slechts 4 oerallelen in de mens geweest zouden kunnen zijn. Alleen een gemeenschappelijke afstamming met een redelijk ruime bottleneck in de menselijke lijn kan dus de gelijkenis tussen de allelen verklaren."
Alleen al het gen DRB1 is genoeg om monogenese te falsifieren. Page & Holmes (1998, blz 133) noemen dat alle 58 menselijke DRB1 genen aanwezig zijn geweest de laatste 500 000 jaar. Dit sluit zelfs een matige flessenhals in aantallen als een populatie van 3000 uit. Een gangbaar getal voor de grootte van de menselijke populatie gedurende de evolutie van de moderne mens is 10000 (Voight et al, 2005)
Het ontbreken van enige aanwijzing voor een populatie-flessenhals van zeer gering aantal is op zichzelf voldoende om monogenese te falsifieren.
Ad mijn punt 2
Schins zegt in zijn reactie:
"Het verbaast me enigszins dat je uit je betoog concludeert dat de monogenese door wetenschappelijk onderzoek verworpen is. In dat betoog geef je daarvoor immers geen enkele aanwijzing. Sterker nog, meerdere keren verwoord je zelf expliciet het tegendeel. Bijvoorbeeld: 'De nu bestaande mitochondriën zijn afkomstig van één voorouder-mitochondrium, een van de vele in de vele personen in zijn tijd.'".
Maar ik zei ook: 'Elk nu bestaand gen is afkomstig van één vooroudergen, een van de vele in de vele personen in hun tijd.' 'Bovendien erven veel genen onafhankelijk van elkaar over: die hebben elk in principe een ander persoon als laatste gemeenschappelijke voorouder.'
Al die andere personen als laatste gemeenschappelijke voorouder van al die andere genen heeft Schins gemist, vandaar de lange uitleg boven. De populatie waarvan mitochondrial Eve deel uitmaakte heeft als geheel bijgedragen aan de huidige mensen. Deze populatie wordt als geheel in Afrika gelocaliseerd.
Eén voorouder-mitochondrium is iets anders dan één voorouder-persoon. Daar zit de grote misvatting van Schins. De persoon "Mitochondrial Eve" mag het mitochondrium hebben gehad dat de voormoeder is van alle huidige mitochondriën. De persoon "Mitochondrial Eve" had ook nog 46 chomosomen in elk van haar celkernen. Van deze 46 chomosomen met hun genen weten we niet of er nog afstammeling chromosomen en afstammeling genen in de huidige populatie voorkomen. Alle kerngenen die in "Mitochondrial Eve" aanwezig waren krijgen een andere geschiedenis met andere afstammingslijnen via andere personen dan het mitochondrium. Uit de aanwezige hoeveelheid genetische variatie in allerlei genen blijkt dat er geen sprake kan zijn van een gezamenlijk startpunt (in een populatie van grootte 2) van de afstammingslijnen van genen.
Schins concludeert op blz 314 van Worm: "De geschiedenis toont dat katholieke dogma's de geboorte en de groei der natuurwetenschappen niet alleen probleemloos hebben doorgemaakt, maar in de twee meest prominente gevallen van 'overlappende magisteria', te weten monogenese en schepping, zelfs de juiste richting hebben aangegegeven."
Dit is de bewering van Schins. Wat laat de moleculaire populatiegenetica over van de bewering van Schins? Niets. Monogenese, één menselijk voorouderpaar, heeft geen wetenschappelijke onderbouwing. Daarmee is de falsifieerbare hypothese monogenese, de natuurwetenschappelijke consequentie van het dogma van de erfzonde, verworpen. Dit betekent dat het dogma van de erfzonde geen wetenschappelijke achtergrond gegeven kan worden.
Cann, Stoneking & Wilson 1987
Schins houdt vol dat Cann, Stoneking & Wilson's (1987) onderzoek vanwege de dogmatische implicaties tot negatieve en emotionele reacties heeft geleid. Maar in tegenstelling tot wat hij nu schrijft, geeft hij voor negatieve en emotionele reacties vanwege dogmatische implicaties geen concrete feiten. Hij haalt ander onderzoek uit het twintig jaar oude debat over de plaats van het ontstaan van Homo sapiens - Out-of-Africa Hypothesis versus Multi-regional Hypothesis - aan dat er op zou kunnen duiden dat genen uit Homo erectus toch nog in de huidige populatie mensen aanwezig zouden kunnen zijn. Dit debat is zuiver wetenschappelijk. De emotionele reacties en algemene verontwaardiging van wetenschappers die tegen hun zin met een katholiek dogma geconfronteerd zouden worden ontbreken. Het is me ook onduidelijk waarom wetenschappers geacht worden zich over zoiets druk zouden maken. Misschien dat Schins voetstoots aanneemt dat evolutiebiologen per definitie atheist zijn: maar ten eerste is dat niet zo, en als het al wel zo was zouden ze nog steeds het katholieke dogma voor hun werk irrelevant vinden.
Schins begrijpt niet dat het zorgvuldig geformuleerde artikel van Cann et al (1987) tot enige commotie heeft geleid, en hij wil niet geloven dat ik weet waar ik het over heb als ik zeg dat er enige twijfel over Cann's statistiek bestond. Wikipedia had Schins kunnen inlichten, zie hier http://en.wikipedia.org/wiki/Mitochondrial_Eve voor het adres en kijk onder 'Academic Investigation". Hieronder komt nog een lijstje met statistische kritiek op Cann et al (1987) en het latere artikel van Vigilant er al (1991) uit dezelfde groep. Beide conclusies van Cann et al (1987), dat de wortel van de fylogenetische boom in Afrika ligt en bij een tijd van 140,000 -280,000 jaar, zijn op statistische gronden bekritiseerd. Zulke kritiek klinkt als: "I found 100 trees that are two steps more parsimonious than the tree presented by Vigilant et al" (Templeton, die hetzelfde materiaal heranalyseert), en dergelijke zinsneden uit een universum zonder katholieke dogma's.

De erfzonde.
Bij theologie is het gemakkelijker beunhazen: iedereen mag denken dat hij er mee te maken heeft. Er zijn twee vragen bij de erfzonde. De eerste is of de Christelijke leer de erfzonde vereist. De tweede is of de erfzonde letterlijk een echtpaar Adam en Eva als voorouders van alle huidige mensen nodig heeft.
De erfzonde mag een Katholiek dogma zijn, en beleden in Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus, artikel 15 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, en de Dordtse Leerregels hoofdstuk 3&4 artikel 2, het is geen onomstreden onderdeel van de Christelijke leer. Het is de vraag of de erfzonde binnen het Christendom een noodzakelijk element is. De erfzonde en de uitverkiezing gaan terug op Augustinus van Hippo (354-430). Aurelius Augustinus is een van de belangrijkste theologen van de Latijn sprekende westerse kerk, maar zijn invloed in de Grieks sprekende oosterse kerken is gering gebleven. Augustinus was Manichaeer geweest voordat hij Christen werd. De vraag blijft hoeveel Manichaeisme hij meegenomen heeft.
Weliswaar spreken de evangeliën van zonde en bekering: maar dit is persoonlijke zonde, geen overgeeërfde toestand. De Geloofsbelijdenis van Nicaea (325, 381) heeft in de Latijnse versie: "qui propter nos homines et propter nostram salutem descendit de caelis", "die om ons mensen en om onze zaligheid, is nedergekomen uit den hemel". Noch de Twaalf Artikelen noch de Geloofsbelijdenis van Nicaea vraagt aanvaarding van een dogma 'erfzonde' van een christen. De Rooms-Katholieke Kerk mag de erfzonde als een dogma beschouwen: het leergezag van de kerk gaat per slot van rekening alleen op voor wie dat vrijwillig aanvaardt.
Bovendien zou men van de mogelijkheid tot zondigen of de waarneming van zondigheid uit kunnen gaan. Van den Brink geeft in hoofstuk 3 van Worm aan hoe zonder de erfzonde en zonder een historische Adam en Eva een theologische oplossing mogelijk is (blz 66-70 Worm, vooral blz 69). De opvatting die Van den Brink schetst is gemeengoed in sommige vleugels van de kerk waartoe ook Van den Brink behoort, nl de Protestanse Kerk in Nederland.
Literatuur:
Het beste, en misschien enige, boek in het Nederlands dat een goed idee van evolutiebiologie geeft is:
- C. Zimmer, 2003
Evolutie: de triomf van een idee.
Uitgeverij Spectrum
isbn: 90-274-7583-0
Mitochondrial Eve (vroege publicaties)
- Cann, R.L., Stoneking, M., & Wilson, A.C., 1987. Mitochondrial DNA and human evolution. Nature 325:31-36
- Vigilant, L., Stoneking, M., Harpending, H., Hawkes, K., & Wilson, A.C., 1991. African Populations and the Evolution of the Human Mitochondrial DNA. Science 253:1503-1507
Technische kritiek op deze vroege publicities: hoogst competente kritiek.
- Templeton, A.R., 1992. Human origins and analysis of mitochondrial DNA sequences. Science 255: 737 (Science section: Technical Comments, 7 February 1992)
- Hedges, S.B., Kumar, S., Tamura, K., & Stoneking, M., 1992. Science 255: 737-739 (Science section: Technical Comments, 7 February 1992)
- Nei, M., 1992. Age of the common ancestor of human mitochondrial DNA. Molecular Biology and Evolution 9:1176-1178
- Maddison, D.R., Ruvolo, M., & D.L. Swofford, 1992. Geographic origins of human mitochondrial DNA: phylogenetic evidence from control region sequences. Systematic Biology 41:111-124.
De juistheid van althans een deel van deze technische kritiek is toegegeven in:
- Stonekin, M., Sherry, S.T., & Vigilant L., 1992. Geographic origin of human mitochondrial DNA revisited. Systematic Biology 41:384-391.
Verder aangehaald:
- Page, R.D.M., & Holmes, E.C., 1998. Molecular Evolution: a phylogenetic approach. Blackwell Science. ISBN 0-86542-889-1
- Voight BF, Adams AM, Frisse LA, Qian Y, Hudson RR, & Di Rienzo,A.,. (2005) Interrogating multiple aspects of variation in a full resequencing dataset to infer human population size changes. PNAS 102: 18508-18513
Over de erfzonde zie 'original sin' 'Augustinus' 'Pelagius' in Engelse Wikipedia.


Juleon Schins schrijft : deze bijdrage is verplaatst naar blog donderdag 25 Januari. (Comment this)
Mitochondrial Eve heeft niets met Intelligent Design te maken, dus het was niet nodig ID te noemen. In het boek Worm is ID trouwens vrijwel onder tafel verdwenen.
De vereiste literatuur voor ID is:
Het Wedge Document:
http://www.antievolution.org/features/wedge.html
B. Forrest & P.R. Gross, 2004
Creationism’s Trojan Horse: The Wedge of Intelligent Design
Oxford University Press, Oxford New York
ISBN 0-19-515742-7
M. Young & T. Edis (eds) 2004
Why Intelligent Design Fails: a scientific critique of the new creationism
Rutgers University Press, New Brunswick, NJ
ISBN 0-8135-3433-X
Zoals uit het Wedge document blijkt is Intelligent Design niet wetenschappelijk gemotiveerd. Er bestaat een schijnvoorstelling van wetenschap “to deceive the ignorant”. Zie in het hoofdstuk van Jan Lever in Worm de opmerkingen over een creationistische lezing aan de VU.
De twee ‘wetenschappelijke’ paradepaardjes van ID zijn de wiskundige William A. Dembski en de biochemicus Michael J. Behe.
Dembski heeft het over Complex Specified Information, die volgens hem niet door evolutie kan ontstaan. In Schitterend Ongeluk laat Ronald Meester weinig over van Specified Complexity: het is een loos begrip. Een van Dembski’s boeken (2002) heeft de titel: No Free Lunch: Why specified complexity cannot be purchased without intelligence. David Wolpert, een van de twee auteurs van het oorspronkelijke artikel over de wiskundige No-Free-Lunch Theorems, schreef een antwoord: William Dembski's treatment of the No Free Lunch theorems is written in jello zie: hier. Gelatinepudding dus. Wolpert is degene die dit absoluut kan weten. Zie ook de No-Free-Lunch Theorems in Wikipedia. Lees verder hoofdstuk 11 (Perakh) in Young & Edis (2004).
Behe publiceerde in 1996: Darwin's Black Box: The Biochemical Challenge to Evolution. Free Press/Simon and Schuster.
Behe ziet niet hoe natuurlijke selectie als verklaring van complexe biochemische processen kan functioneren. Behe stelt dat een aantal biochemische systemen behoren tot de klasse 'irreducibly complex systems'. "By irreducibly complex I mean a single system composed of several well-matched, interacting parts that contribute to the basic function, wherein the removal of any of the parts causes the system to effectively cease functioning" (blz 39 zin 1). Op deze definitie van irreducibly complex system volgt een bewering (blz 39 zin 2): "An irreducibly complex system cannot be produced directly (that is, by continuously improving the initial function, which continues to work by the same mechanism) by slight, successive modifications of a precursor system, because any precursor to an irreducibly complex system that is missing a part is by definition nonfunctional." Zin 2 is wat Behe moet bewijzen. Dat doet Behe niet. Hij denkt dat laten zien dat in elkaar vallen van een bestaand irreducibly complex system als je er een onderdeel uithaalt hetzelfde is als bewijzen dat een irreducibly complex system niet geleidelijk kan ontstaan. Dat is niet zo, en het is kan gedemonstreerd worden aan de morfologie van de vogelvleugel omdat we daar de fossielen hebben: zie hoofdstuk 5 (Gishlick) in Young & Edis (2004).
Behe schrijft heel goed. Vijf hoofdstukken magistraal de vloer aanvegen met evolutiebiologie aan de hand van vijf biochemische systemen. Maar wetenschap is het niet. Het boek heeft het standaardstramien van creationistenboeken: met veel woorden de vloer aanvegen met evolutiebiologie, en er nauwelijks of niet iets voor in de plaats stellen. Als evolutie ongelijk heeft, is daarmee het eigen gelijk bewezen. Deze taktiek is van oudsher bekend.
Darwin's Black Box is geen wetenschappelijk boek: het is propaganda. Iedereen met een academische opleiding moet dat kunnen herkennen, op de stijl onafhankelijk van de inhoud, op de stijl zonder kennis van het onderwerp. (Comment this)
Over Christendom en wetenschap schrijft ook Dijksterhuis, in "De mechanisering van het wereldbeeld", in deel II, "Thomisme en natuurwetenschap", schrijft Dijksterhuis, dat de poging van Thomas van Aquino en anderen, een synthese tussen de theologie en de wijsbegeerte (waartoe ook de natuurwetenschap behoorde) te volbrengen, een groot gevaar voor de ontwikkeling van de natuurwetenschap betekende (paragraaf 39):
"Voor de natuurwetenschap dreigden geen geringe gevaren. Doordat aan beschouwingen van vakwetenschappelijken aard dadelijk consequenties verbonden waren die, door het medium van de Aristotelische wijsbegeerte heen, het geloof raakten, werden de natuuronderzoekers, die practisch allen tot den geestelijken stand behoorden, gemakkelijk in gewetensconflicten gebracht, die de onbevangenheid, welke zij voor hun wetenschappelijk werk behoefden, vernietigden. Het probleem van de relatie van geloof en wetenschap moet menigen middeleeuwsen denker ernstig hebben verontrust; het heeft hun vele beproevingen opgelegd en zij hebben het vaak langs verwrongen wegen moeten ontlopen. Het lijdt nauwelijks twijfel, dat door dit alles het doordringen van juistere inzichten in de natuur aanzienlijk is vertraagd".
In deel III wordt dan het belang van het humanisme en van de ontwikkeling van de techniek voor het ontstaan van de klassieke natuurwetenschap, beschreven. (Comment this)
Het blijft moedig om tegen al die historici in te gaan, die beweren dat het christendom natuurwetenschap mogelijk heeft gemaakt. Ik heb al eens een korte lijst gegeven, dat zal ik niet weer opsommen. Het is ook opvallend dat het altijd natuurwetenschappers zijn die zich verzetten tegen dergelijke claims. Wetenschapsfilosofen en -historici hebben hier veel minder moeite mee dan natuurwetenschappers (en dan met name biologen).
Verder beweer je "De natuurwetenschap is minimaal 500 jaar voor Christus uitgevonden: door Grieken, met enige hulp van Babyloniers en Egyptenaren." Hier rek je het begrip "natuurwetenschap" enorm op of gebruik je het compleet anachronistisch. Zoals de wetenschapshistoricus Rienk Vermij schrijft: "Enkele eeuwen geleden bestond er nog niet zoiets als natuurwetenschap. Dat betekent niet alleen dat het vak niet werd onderwezen, of dat de juiste wetenschappelijke kennis ontbrak, maar ook dat men het soort vragen waarop de huidige natuurwetenschap het antwoord biedt, niet stelde" (Vermij, 7). De Grieken bedreven helemaal geen wetenschap. Zij poogden vanuit het denken door te dringen tot het wezen der dingen. Maar experimenten deden ze niet. Zelfs Aristoteles, die regelmatig naar de natuur verwijst, heeft nooit proefondervindelijk onderzoek gedaan en heeft het dus ook (met name wat zijn visie op de vrouwelijke biologie betreft) regelmatig bij het verkeerde eind. Het is pas tegen het einde van de Middeleeuwen en de Renaissance dat iets van moderne, proefondervindelijke wetenschap opduikt, maar dan nog altijd innig verbonden met filosofische en theologische vooronderstellingen. Tot in de negentiende eeuw heette het dan ook geen natuurwetenschap, maar "natuurfilosofie". Pas in de twintigste eeuw kun je van natuurwetenschap spreken in de moderne, huidige zin van het woord. Na de stille dood van het logisch positivisme, in de jaren '60 van de vorige eeuw, braken wetenschappers echt met filosofische veronderstellingen (ook het empirisme van de logisch positivisten was geen wetenschappelijke, maar een filosofische veronderstelling).
Vermij schrijft in zijn boekje dan ook - en daarmee is hij het eens met historici zoals Steven Shapin - dat de 'wetenschappelijke revolutie' van de 17e eeuw niet bestaat, tenzij in een verandering ten aanzien van het soort vragen dat men stelde. Ook Vermij concludeert wel dat er een soort van continuïteit zichtbaar is tussen de huidige natuurwetenschappen en het Griekse denken (en alles wat daartussen zit), maar dat de gemene deler wel ophoudt met "een zekere interesse voor hoe de wereld in elkaar stak" (Vermij, 7).
Het is mooi om natuurwetenschapper-zijn - naast prostitutie - als het oudste beroep ter wereld te willen beschrijven, maar die vlieger gaat helaas niet op.
Wie meer wil weten over de grote verschillen tussen de moderne natuurwetenschappen en vroegere denkwijzen:
R. Vermij, "De wetenschappelijke revolutie" (Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds, 1999).
S. Shapin, "The Scientific Revolution" (Chicago/London: The University of Chicago Press, 1996).
E. Grant, "Planets, Stars, & Orbs: The Medieval Cosmos, 1200-1687" (Cambridge: Cambridge Univ. Press 1994); een enorm compendium (816 pp) van alles wat men in de Middeleeuwen over de wereld wist, inclusief een uitermate gedetailleerde beschrijving van de schriftelijke (!) bronnen van die kennis.
E. Grant, "The Foundations of Modern Science in the Middle Ages: Their Religious, Institutional, and Intellectual Contexts" (Cambridge: Cambridge Univ. Press 1996); verkorte weergave van het eerdergenoemde boek.
E. Grant, "God & Reason in the Middle Ages" (Cambridge: Cambridge Univ. Press 2001); Grant argumenteert hier dat de relatie tussen openbaringstheologie en rede in de Middeleeuwen de fundamenten heeft gelegd voor de moderne natuurwetenschappen: de rede was het instrument van de openbaring. Of in Grants woorden: "One of the weightiest reasons for charaterizing the Middle Ages as the true beginining of the Age of Reason lies in the fact that medieval theologians regularly applied reason , in the form of logic and natural philosophy, to theology and the mysteries of faith" (291).
D.C. Lindberg, "The Beginnings of Western Science: The European Scientific Tradition in Philosophical, Religious, and Institutional Context, 600 B.C. to A.D. 1450" (Chicago/London: The University of Chicago Press 1992). (Comment this)
Ik vind dat je de Oudheid nu wel erg weinig natuurwetenschap gunt. De Babylonische sterrenkunde was beroemd en, sinds Ptolemaeus (87-150 na Chr.), was het een meer ontwikkelde wetenschap dan menig modern vak. Ook Archimedes (287 - 212 v. Chr.) wil je waarschijnlijk niet over het hoofd zien. En wat bedoel je met: "Na de stille dood van het logisch positivisme, in de jaren '60 van de vorige eeuw, braken wetenschappers echt met filosofische veronderstellingen [...]"? Heb ik niets van gemerkt!
(Comment this)
Ik heb dit soort ideeën niet van mezelf, maar opgedaan van de wetenschapshistorische boeken die ik heb gelezen en de colleges wetenschapsgeschiedenis die ik tijdens mijn studententijd in Groningen heb gevolgd bij de Faculteit Wijsbegeerte. Blijkbaar wordt er zo over wetenschapshistorici over wetenschap gedacht. De kwestie draait uiteraard om de definitie van 'wetenschap', meer in het bijzonder van 'natuurwetenschap'. Is wiskunde een natuurwetenschap? En is economie of geschiedenis wetenschap? Daarover bereik je nooit een consensus. Niettemin is wel duidelijk dat, hoewel er een zekere verwantschap is, er ook een groot verschil, met name wat betreft de vragen die gesteld werden, de methoden van onderzoek en de status van kennis. Je kunt dus wellicht in de Oudheid spreken over wetenschap, maar niet over natuurwetenschap zoals we dat heden ten dage gebruiken. (Comment this)
Een punt wil ik zeker op reageren, namelijk dat vrijwel NIEMAND de wiskunde als een natuurwetenschap ziet. Niettemin is de wiskunde de meest geavanceerde vorm van rationeel onderzoek die we kennen. Wat mij betreft is dat erg belangrijk voor discussies over wereldbeelden en de reikwijdte van de natuurwetenschap. (Comment this)